Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een matras als maatwerkvoorziening onder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat een matras een algemeen gebruikelijke voorziening is en niet primair gericht is op het bevorderen van de zelfredzaamheid. Eiser voerde aan dat het matras medisch noodzakelijk is vanwege pijnklachten en slaapgebrek, wat zijn functioneren en ADL belemmert.
De rechtbank oordeelt dat het matras primair een therapeutisch doel heeft, namelijk het bevorderen van nachtrust en pijnreductie. Dit therapeutisch doel heeft slechts een indirect positief effect op de zelfredzaamheid, wat onvoldoende is om onder de Wmo 2015 te vallen. De eerdere verstrekking van een pgb voor een matras in 2014 onder de Wmo 2007 verplicht verweerder niet tot herhaling van die beslissing.
Verder is het beroep op het vertrouwensbeginsel niet geslaagd omdat geen gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat een matras opnieuw zou worden verstrekt. Ook het gebrek aan medisch onderzoek wordt niet als onzorgvuldig beoordeeld, omdat het primaire besluit op juridische gronden is gebaseerd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.