ECLI:NL:RBLIM:2022:6060

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
5 augustus 2022
Publicatiedatum
8 augustus 2022
Zaaknummer
ROE 22/1508
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij dwangsom bouwvergunning

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een last onder dwangsom die door het college van burgemeester en wethouders van Maastricht is opgelegd wegens bouwen in afwijking van een verleende omgevingsvergunning. Verzoeker had een begunstigingstermijn van 42 dagen gekregen om de overtreding te beëindigen, welke termijn was opgeschort in afwachting van een nieuwe vergunningaanvraag.

Na afwijzing van deze aanvraag door het college liep de begunstigingstermijn tot 21 januari 2022. Het verzoek om voorlopige voorziening werd pas op 13 juli 2022 ingediend, nadat de termijn was verstreken en de dwangsom van maximaal € 60.000,- van rechtswege was verbeurd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat hierdoor geen spoedeisend belang meer bestaat. Bovendien had verzoeker het verzoek veel eerder kunnen indienen. Het feit dat nog geen invorderingsbeschikking is opgelegd, laat onverlet dat bezwaar en een nieuw verzoek om voorlopige voorziening mogelijk zijn zodra die beschikking er is.

Daarom wordt het verzoek afgewezen en hoeft het college geen proceskosten te vergoeden. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 22/1508

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2022 in de zaak tussen

[naam] B.V., gevestigd in [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R.H.M. Wagemans),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht(het college).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2020, verzonden op 21 juli 2020, (het primaire besluit) heeft het college aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd voor het bouwen in afwijking van een verleende omgevingsvergunning op het perceel [adres] .
Bij besluit van 17 januari 2022, verzonden op 18 januari 2022, (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard, maar met een aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 13 juli 2022 heeft hij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb), te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder het verzoek ter zitting te behandelen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van het vereiste spoedeisend belang. Zij overweegt daartoe het volgende.
3. Op 13 mei 2019 is aan verzoeker een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van het hotel met 7 kamers tot een hotel met 10 kamers (3 extra kamers in het voorpand) op onderhavig perceel. Volgens verweerder heeft verzoeker gebouwd in afwijking van deze vergunning. Volgens verweerder bestaan de afwijkingen uit het realiseren/verhogen en vergroten van een opbouw op het dak van de nieuwbouw en een opbouw op het achterdak.
4. In het primaire besluit heeft verweerder verzoeker opgedragen de geconstateerde overtredingen te beëindigen, dan wel het gebouwde in overeenstemming te brengen met de verleende omgevingsvergunning, op straffe van verbeuren van een dwangsom € 10.000,- per maand die verzoeker in gebreke blijft, met een maximum van € 60.000,-. Aan deze last is een begunstigingstermijn verbonden van 42 dagen na de verzenddatum van de last onder dwangsom. Deze begunstigingstermijn is, op verzoek van verzoeker, in de bezwaarprocedure opgeschort in afwachting van de beoordeling en de uitkomst van een door verzoeker ingediende nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning, die (deels) zag op het legaliseren van de geconstateerde afwijkingen. Daarbij heeft het college aangegeven dat bij een weigering van de gevraagde omgevingsvergunning de begunstigingstermijn van 42 dagen aanvangt de dag nadat bekend is gemaakt dat die aanvraag is geweigerd.
5. Bij besluit van 9 december 2021, verzonden op 10 december 2021, heeft verweerder de aanvraag van verzoeker, voor zover deze zag op het legaliseren van de afwijkingen, afgewezen. De door verweerder gegeven begunstigingstermijn om de overtredingen ongedaan te maken liep derhalve tot en met 21 januari 2022. Dit betekent dat de begunstigingstermijn op het moment van indiening van het verzoek om een voorlopige voorziening al was verstreken.
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt dit laatste met zich dat geen sprake meer is van een spoedeisend belang, aangezien het verlopen van de begunstigingstermijn zonder dat de overtreding ongedaan is gemaakt betekent dat de opgelegde dwangsom van rechtswege is verbeurd. Het feit dat het hier niet gaat om een dwangsom ineens, maakt dit niet anders. Het gaat hier immers om een dwangsom van
€ 10.000,- per maand, met een maximum van € 60.000,-. Met andere woorden: de maximale dwangsom is al op 22 juli 2022 “volgelopen” en daarmee is het gehele bedrag al van rechtswege verbeurd.
7. De voorzieningenrechter betrekt bij haar oordeel tevens dat verzoeker al veel eerder een verzoek om voorlopige voorziening had kunnen indienen, maar dit (kennelijk) om hem moverende redenen heeft nagelaten.
8. Tot slot weegt de voorzieningenrechter mee dat het verbeuren van dwangsommen weliswaar in beginsel een betalingsverplichting met zich brengt, maar dat verzoeker blijkens het dossier nog geen invorderingsbeschikking heeft ontvangen. Zodra hij een dergelijke beschikking wel heeft ontvangen, kan hij hiertegen nog bezwaar maken en tevens in dat kader een verzoek om een voorlopige voorziening indienen, indien hij dit wenst.
9. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek af. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op:5 augustus 2022.
de griffier is verhinderd te ondertekenen voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 5 augustus 2022

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.