Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[eiser sub 1] ,
1.De procedure
- de dagvaarding van 12 juli 2022 met producties 1 tot en met 85;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 9;
- de mondelinge behandeling op 20 juli 2022;
- de spreekaantekeningen van [eisers gezamenlijk] c.s.
- de pleitnota van LPH.
2.De feiten
allonge 1d.d. 15 oktober 2021 hebben partijen hun streven neergelegd om de testcapaciteit op te voeren naar 5000 per dag en hebben zij financiële afspraken gemaakt. Partijen zijn onder meer overeengekomen dat de kostprijs per verwerkte PCR-test die LPH zal doorberekenen aan het samenwerkingsverband maximaal € 37,50 ex btw bedraagt en dat voor de eerste 1000 PCR testen die in opdracht van de GGD Bzo worden uitgevoerd geen winstdelingsregeling met HCIG geldt. Bij een hoger aantal geldt de afspraak dat van de winst 60 % voor LPH is en 40 % voor HCIG. De allonge verwijst naar een aangehecht schema financiële berekening, eveneens gedateerd 15 oktober 20202. Uit dit schema blijkt onder meer welke verkoopprijzen zullen worden gehanteerd en wie van de partijen welke werkzaamheden zal uitvoeren (en de daaraan verbonden kosten zal dragen).
allonge 2d.d. 9 januari 2021 hebben partijen een nadere, voor HCIG
allonge 3d.d. 27 februari 2021 is - voor zover hier relevant - het volgende opgenomen:
3.Het geschil
4.De beoordeling
Desgevraagd heeft [eisers gezamenlijk] c.s. ter mondelinge behandeling aangegeven dat hij specifiek van mening is dat de vorderingen jegens [eiser sub 1] summierlijk ondeugdelijk zijn, nu [eiser sub 1] slechts aandeelhouder is van LPH en geen bestuurder, zodat niet valt in te zien op welke wijze [eiser sub 1] jegens LPH onrechtmatig heeft gehandeld. [eiser sub 1] c.s. stelt zich op het standpunt dat geen sprake kan zijn van vereenzelviging van [eiser sub 1] met [eiser sub 1] . LPH heeft betoogd dat een aandeelhouder die weet heeft van onrechtmatige gedragingen van de bestuurder jegens de vennootschap, gehouden is in te grijpen. Nu [eiser sub 1] tevens bestuurder is van [eiser sub 1] , had [eiser sub 1] weet van de handelingen van [eiser sub 1] en had zij moeten ingrijpen. Nu zij dat heeft nagelaten, is zij aansprakelijk voor de door het onrechtmatige handelen van [eiser sub 1] veroorzaakte schade.
De voorzieningenrechter stelt aldus vast dat beide partijen in dit kort geding dezelfde feiten en omstandigheden hebben aangevoerd en hetzelfde - uitgebreid gemotiveerde - debat voeren omtrent de (on)gegrondheid van de vorderingen van LPH als in de lopende bodemprocedure bij de rechtbank Oost-Brabant. Dit geldt zowel voor de vorderingen jegens [eiser sub 1] als die jegens [eiser sub 1] . De voorzieningenrechter dient in dit kort geding slechts summierlijk te beoordelen of het vorderingsrecht van LPH ondeugdelijk is. Deze kort gedingprocedure biedt geen ruimte voor nader onderzoek van de door LPH gestelde feiten en omstandigheden. In de bodemprocedure kunnen de gemotiveerde stellingen van LPH, nu deze door [eisers gezamenlijk] c.s. gemotiveerd zijn betwist, nader onderzocht en zo nodig bewezen worden.
Bij deze stand van zaken kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands niet worden geconcludeerd dat de vordering waarop LPH zich in het kader van de door haar gelegde beslagen beroept, summierlijk ondeugdelijk is en de beslagen deswege dienen te worden opgeheven.