ECLI:NL:RBLIM:2022:6152

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 augustus 2022
Publicatiedatum
11 augustus 2022
Zaaknummer
20/2336
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:43 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens nieuw besluit UWV

Eiser had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn loongerelateerde WGA-uitkering per 4 april 2021 te beëindigen en een vervolguitkering toe te kennen gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 62,27%. Het bezwaar werd gedeeltelijk gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage aangepast naar 63,22%. Eiser stelde beroep in tegen dit bestreden besluit.

Later trok het UWV dit bestreden besluit in en besloot het bezwaar volledig gegrond te verklaren, waarbij eiser per 4 april 2021 een WGA-loonaanvullingsuitkering werd toegekend op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Naar aanleiding hiervan trok eiser het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelde dat het UWV aan het beroep tegemoet was gekomen en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van de beroepsprocedure, vastgesteld op € 1.138,50. De proceskosten van de bezwaarprocedure waren reeds vergoed. Tevens wees de rechtbank erop dat het griffierecht van € 49,- door het UWV moet worden vergoed.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 1.138,50 na intrekking van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Inloopteam Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 21/2336

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.E.M. Lucassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: mr. L.M.C.M. Levels).

Procesverloop

In het besluit van 18 januari 2021 (primair besluit) heeft het UWV de loongerelateerde Werkhervattingsuitkering Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) van eiser per 4 april 2021 beëindigd en hem per diezelfde datum in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 62,27%.
In het besluit van 28 juli 2021 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen voor zover het daarbij vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage betreft en beslist dat de WGA-vervolguitkering wordt gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 63,22%.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
In het besluit van 27 juni 2022 heeft het UWV het bestreden besluit ingetrokken en besloten om het bezwaar van eiser gegrond te verklaren, (
de rechtbank begrijpt) het primaire besluit te herroepen en aan eiser per 4 april 2021 een WGA-loonaanvullingsuitkering toe te kennen, omdat eiser voor 100% arbeidsongeschikt is.
Naar aanleiding hiervan heeft eiser het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Het UWV heeft de rechtbank meegedeeld dat hij zich niet verzet niet tegen veroordeling in de forfaitaire proceskosten die gemaakt zijn in deze beroepsprocedure.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is het UWV tegemoet gekomen aan het beroep van eiser.
4. De proceskosten voor de bezwaarprocedure zijn reeds in een eerder stadium vergoed. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
5. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt het UWV in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.138,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor repliek, als bedoeld in artikel 8:43, eerste lid, van de Awb, met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
6. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 49,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.138,50.
Deze uitspraak is gedaan op 10 augustus 2022 door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is verzonden op 10 augustus 2022
en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.