Eiser had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn loongerelateerde WGA-uitkering per 4 april 2021 te beëindigen en een vervolguitkering toe te kennen gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 62,27%. Het bezwaar werd gedeeltelijk gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage aangepast naar 63,22%. Eiser stelde beroep in tegen dit bestreden besluit.
Later trok het UWV dit bestreden besluit in en besloot het bezwaar volledig gegrond te verklaren, waarbij eiser per 4 april 2021 een WGA-loonaanvullingsuitkering werd toegekend op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Naar aanleiding hiervan trok eiser het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelde dat het UWV aan het beroep tegemoet was gekomen en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van de beroepsprocedure, vastgesteld op € 1.138,50. De proceskosten van de bezwaarprocedure waren reeds vergoed. Tevens wees de rechtbank erop dat het griffierecht van € 49,- door het UWV moet worden vergoed.