Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
fairmoet zijn. Daarbij zijn de volgende criteria van belang:
sole or decisive) steunen op de verklaring van de getuige die niet kon worden ondervraagd?
counterbalancing factors) die maken dat de betrouwbaarheid van de verklaring op een andere wijze kan worden beoordeeld?
overall fairnessvan het strafproces jegens verdachte, waarbij de reden voor de inbreuk op het ondervragingsrecht, het gewicht van de betreffende bewijsmiddelen en de al dan niet geboden compensatie(s) factoren zijn die moeten worden meegewogen. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
sole): er is immers ook DNA-bewijs.
decisivemoet worden aangemerkt, nader overwogen dat “
Where the untested evidence of a witness is supported by other corroborative evidence, the assessment of whether it is decisive will depend on the strength of the supporting evidence; the stronger the corroborative evidence, the less likely that the evidence of the absent witness will be treated as decisive”.Met inachtneming van dit juridisch kader komt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaringen van aangeefster evenmin doorslaggevend (
decisive) zijn. Het onderzoek naar DNA-sporen toont immers, zo heeft de rechtbank hiervoor overwogen, niet alleen aan dat de verdachte zijn sporen heeft achtergelaten op de borst en de binnenste schaamlippen van aangeefster, maar ook diep vaginaal. Door deze bevindingen worden de verklaringen van aangeefster zeer sterk ondersteund.
sole or decisivebesproken steunbewijs, is van belang dat de twee verklaringen van aangeefster, zoals eerder overwogen, ondanks een tijdverloop van ruim 9 maanden niet alleen in grote lijnen maar ook op detailniveau vrijwel geheel overeenkomen.
decisivezijn, en voor zover dit wel al zou zijn, de procedure voldoende
counterbalancing factorsbiedt dan wel heeft geboden. Dit maakt dat de
overall fairnessvan de procedure niet in het geding is, en de verklaringen van aangeefster voor het bewijs kunnen worden gebezigd zonder dat daarmee de belangen van de verdachte ontoelaatbaar worden geschonden.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
first offenderis, dat hij volgens het reclasseringsrapport op geen enkel leefgebied problemen heeft en het recidiverisico laag is. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou bovendien ertoe leiden dat de verdachte zijn baan verliest.
first offenderis. Ook weegt de rechtbank de (positieve) inhoud van het reclasseringsrapport van 4 augustus 2022 mee. De reclassering beschrijft dat de verdachte zijn leefgebieden op orde heeft en er conventionele normen en waarden op na lijkt te houden. Het risico op recidive wordt laag ingeschat, en de reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig.
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf groot
- verklaart de benadeelde partij voor het meergevorderde aan materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk in haar vordering;
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 11.122,29, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 december 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening, en bij niet-betaling en verhaal te vervangen door 90 dagen, met dien verstande dat deze gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.