ECLI:NL:RBLIM:2022:6671

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
30 augustus 2022
Publicatiedatum
30 augustus 2022
Zaaknummer
10024643 CV EXPL. 22-3414
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 502 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing executoriaal beslag wegens onvoldoende bewijs van dwangsombetaling bij levering perceel

In deze kortgedingprocedure vordert eiser de opheffing van executoriaal beslag dat door gedaagde is gelegd op zijn woning en op de verkoopopbrengst van een perceel. Dit beslag is gelegd in het kader van een eerdere veroordeling tot medewerking aan de verkoop en levering van het perceel, waarbij dwangsommen waren gesteld bij niet-naleving.

Eiser voert aan dat het beslag onrechtmatig is omdat hij niet nalatig is geweest in zijn medewerking. Gedaagde stelt dat eiser geen akkoord heeft gegeven op de leveringsakte en daardoor dwangsommen heeft verbeurd. De rechtbank onderzoekt de correspondentie en het verloop van de onderhandelingen over de leveringsakte.

Uit de stukken blijkt dat partijen vanaf medio juni 2022 discussie voerden over de inhoud van de leveringsakte, waarbij eiser vragen stelde en opmerkingen maakte. Deze discussie werd niet gevoerd om levering te traineren, maar vanwege inhoudelijke bezwaren die verband hielden met lopend hoger beroep. Gedaagde stemde pas medio juli 2022 definitief in met de akte.

De rechtbank oordeelt dat niet aannemelijk is dat eiser dwangsommen heeft verbeurd en dat het beslag daarom moet worden opgeheven. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het executoriaal beslag op de woning en verkoopopbrengst wordt opgeheven omdat niet is komen vast te staan dat eiser dwangsommen heeft verbeurd.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10024643 CV EXPL 22-3414
Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 30 augustus 2022
in de zaak van:
[eiser],
wonend [adres 1] ,
[woonplaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde mr. M. van Sintmaartensdijk,
tegen:
[gedaagde],
wonend [adres 2] ,
[woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. W.V.J.M. Bonnie.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de conclusie van antwoord
  • de mondelinge behandeling op 16 augustus 2022, bij welke gelegenheid [eiser] spreekaantekeningen heeft overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen partijen is bij deze rechtbank een procedure aanhangig geweest. In het dictum van het in die zaak gewezen vonnis van 24 november 2021 (hersteld op
15 december 2021 en 19 januari 2022) - waarbij klaarblijkelijk ook de
eisende partijis veroordeeld - is onder meer het volgende bepaald:
11.5
veroordeelt partijen tot medewerking aan verkoop en levering van het perceel [adres 3] te [plaats] zoals hiervoor is bepaald en na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag of dagdeel dat een partij nalaat zijn medewerking aan levering te verlenen met een maximum van € 50.000,-;
2.2.
Bij exploot van 8 maart 2022 heeft [gedaagde] de vonnissen aan [eiser] betekend.
2.3.
Op 15 april 2022 hebben partijen een overeenkomst gesloten waarbij het perceel aan de [adres 3] te [plaats] (hierna: het perceel) aan [gedaagde] is verkocht.
2.4.
Bij e-mail van 17 mei 2022 is het concept van de leveringsakte door de
heer [naam] van notariskantoor [naam notariskantoor] verstuurd aan (de advocaat van) [eiser] .
2.5.
Op 28 juni 2022 is door [gedaagde] executoriaal beslag op de woning van [eiser] gelegd.
2.6.
Bij e-mail van 13 juli 2022 (14:58) aan [eiser] en [gedaagde] heeft de notaris voor zover van belang het volgende medegedeeld:
Ik heb kennisgenomen van de toegestuurde emailcorrespondentie. Naar aanleiding hiervan is de akte aangepast, bijgaand treft u het gewijzigd ontwerp (versie 13 juli 2022) aan.
In de gewijzigde akte is de tekst zoals deze in het ontwerp van 12 juli 2022 op pagina 13 onder het kopje “kwijting en décharge” stond vermeld vervallen (…)
De bepalingen zoals opgenomen op pagina 11 onder het kopje “verrekening en kwijting” zijn ongewijzigd. Betreffende de wettelijke rente deel ik u mede dat wij bericht hebben ontvangen dat deze op 26 november 2021 is berekend, en dat deze rente ad € 3.674,47 op 13 december 2021 door de heer [eiser] is voldaan. Graag verneem ik van u beiden welke verdere afspraken er gemaakt zijn betreffende de wettelijke rente van 26 november 2021. Indien de akte hierop aangepast dient te worden verneem ik dat graag.
2.7.
Op 19 juli 2022 is de leveringsakte bij de notaris gepasseerd ten behoeve van de overdracht van het perceel aan [gedaagde] .
2.8.
[gedaagde] heeft executoriaal derdenbeslag gelegd op de verkoopopbrengst onder de notaris.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • primair: opheffing van het door [gedaagde] gelegde executoriaal beslag onder de woning van [eiser] en het ten laste van [eiser] gelegde executoriale derdenbeslag onder notariskantoor [naam notariskantoor] , met veroordeling van [gedaagde] in de kosten;
  • subsidiair: een zodanige voorziening met betrekking tot de (omvang van de) gelegde beslagen te treffen als de voorzieningenrechter zal vermenen te behoren, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten.
3.2.
De grondslag van de vordering en het gevoerde verweer van [gedaagde] zullen hierna – voor zover relevant – in de beoordeling worden weergegeven.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] stelt zich primair op het standpunt dat het beslag op de woning niet is voorafgegaan door een exploot van de deurwaarder, houdende bevel om binnen twee dagen aan de executoriale titel te voldoen, zodat het beslag nietig zou zijn. [gedaagde] heeft echter naar voren gebracht op 24 juni 2022 hernieuwd bevel tot betaling te hebben gedaan, hetgeen door [eiser] niet is weersproken, op grond waarvan aannemelijk is dat de op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen van artikel 502 lid 1 Rv Pro niet zijn verzuimd.
4.2.
De vordering strekt tot opheffing van het executoriaal beslag op de woning van [eiser] en het executoriale derdenbeslag op de verkoopopbrengst van het perceel onder de notaris.
4.3.
Centraal staat de vraag - kort gezegd - of [eiser] medewerking heeft verleend aan de levering van het perceel en of hij in verband daarmee dwangsommen heeft verbeurd.
4.4.
In een executiegeschil als dit dient de rechter zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen zodanig dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Bovendien moet in aanmerking worden genomen dat een in het dictum uitgesproken veroordeling steeds moet worden gelezen in verband met de daaraan voorafgaande rechtsoverweging waarop zij steunt.
4.5.
Uitgangspunt is het vonnis van 24 november 2021 waarin - het zij herhaald - beide partijen zijn veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan verkoop en levering van het perceel op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of dagdeel indien een partij nalaat zijn medewerking aan de levering te verlenen. In werkelijkheid moet dit vonnis zo worden begrepen dat [eiser] medewerking aan de (verkoop en) levering moest verlenen. Wat die levering nauwkeurig behelst, kan uit het vonnis niet worden opgemaakt. Buiten het feit dat daarmee de eigendomsoverdracht moet worden bewerkstelligd - het doel van de levering - kan op onderdelen daarvan dan discussie worden gevoerd. Een leveringsakte is immers niet in alle opzichten in beton gegoten.
4.6.
Bij e-mail/brief van 15 juni 2022 van [gedaagde] is aan [eiser] een termijn van acht dagen gesteld om alsnog medewerking te verlenen aan de levering. [gedaagde] stelt daarin dat [eiser] geen akkoord heeft gegeven op het concept van de leveringsakte, op grond waarvan [eiser] weigert medewerking te verlenen aan de levering van het perceel. Uit de bij dagvaarding overgelegde correspondentie tussen (de advocaat van) [eiser] , (de advocaat van) [gedaagde] en de notaris, volgt dat tussen partijen discussie is ontstaan over de inhoud van de leveringsakte. Uit een e-mail van 15 juni 2022 (16:54) van [eiser] aan de notaris blijkt dat [eiser] een aantal vragen dan wel opmerkingen heeft betreffende de inhoud van de akte. Bij e-mail van 16 juni 2022 (11:48) blijkt dat deze punten tevens zijn voorgehouden aan [gedaagde] . In een e-mail van 16 juni 2022 (12:12) van [eiser] aan [gedaagde] is vermeld:
Ik heb het vonnis naast de leveringsakte gelegd en kom tot de simpele conclusie dat die twee niet stroken. Ik zal de akte en uw email naast elkaar leggen. Cliënt wil leveren. Dan kan in beginsel met een eenvoudige akte. Vandaar mijn vragen.
4.7.
Uit de door [eiser] overgelegde e-mails is gebleken dat de discussie tussen partijen en de notaris omtrent de inhoud van de leveringsakte in ieder geval vanaf 15 juni 2022 een aanvang heeft genomen. Dat is dus binnen de door [gedaagde] gestelde termijn. Het standpunt van [gedaagde] dat de door [eiser] aangezwengelde discussie omtrent de inhoud van de akte heeft plaatsgevonden om de levering van het perceel te traineren, volgt de kantonrechter niet. De discussie tussen partijen zag onder andere op (het al dan niet opnemen van) clausules inzake ontbinding, vernietiging, kwijting en verrekening, welke bepalingen van invloed konden zijn op de proceskansen in het door [eiser] tegen eerdergenoemd vonnis ingestelde hoger beroep. Nu niet is gesteld of gebleken dat het [eiser] niet vrijstond hoger beroep aan te tekenen kon hij daar redelijkerwijs een punt van maken. Het vonnis verbiedt hem dat immers niet en zijn belang is ermee gediend.
4.8.
Uit de overgelegde correspondentie blijkt bovendien dat partijen op 13 en 14 juli 2022 nog steeds in overleg waren omtrent de bepalingen van de leveringsakte. Uit de e-mail van 13 juli 2022 (14:58) van de notaris blijkt dat naar aanleiding hiervan de concept-leveringsakte is aangepast. Voorts heeft [gedaagde] ingestemd met nadere afspraken omtrent een aantal bedingen die vermeld stonden in de concept-leveringsakte. Bij e-mail van 14 juli 2022 (14:23/16:00) heeft de advocaat van [gedaagde] vervolgens aan de notaris te kennen gegeven akkoord te gaan met de inhoud van de leveringsakte. De advocaat van [eiser] heeft ten slotte op 18 juli 2022 ingestemd. In dat licht is aannemelijk dat partijen na ommekomst van de door [gedaagde] bij e-mail/brief van 15 juni 2022 gestelde termijn nog met elkaar in overleg waren omtrent de inhoud van de leveringsakte waarmee nota bene [gedaagde] zelf pas op 14 juli 2022 definitief akkoord is gegaan. Dat [eiser] de levering van het perceel getraineerd zou hebben volgt hieruit niet.
4.9.
Op grond van het vorenoverwogene is het niet aannemelijk dat [eiser] dwangsommen heeft verbeurd waarmee de grondslag aan de gelegde executoriale beslagen komt te ontvallen. Beide beslagen worden dan ook opgeheven. Het overig door [eiser] aangevoerde en door [gedaagde] gevoerde verweer behoeft geen verdere bespreking.
4.10.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op:
  • dagvaarding € 127,43
  • griffierecht € 86,00
  • salaris gemachtigde
Totaal: € 960,43.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
heft op het ten laste van [eiser] door [gedaagde] gelegde executoriale beslag op de woning van [eiser] , kadastraal bekend als gemeente [kadasternummer] , plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats 1] en het door [gedaagde] ten laste van [eiser] gelegde executoriale derdenbeslag onder de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bv] , mede handelend onder de naam Notariskantoor [naam notariskantoor] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 960,43,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken.
type: LS