Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Het verdere procesverloop
- de vader, bijgestaan door mr. L.N. Hermans;
- de moeder, bijgestaan door mr. R.P.F. Rober, waarnemend voor mr. P. Winkens;
- de pleegouders;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling.
2.Het verzoek
3.Het standpunt van belanghebbenden
4.De verdere beoordeling
“De kinderrechter overweegt dat een uithuisplaatsing altijd gericht moet zijn op thuisplaatsing”), in overleg te gaan met de ouders en met de pleegouders om een traject van thuisplaatsing in te zetten. Thuisplaatsing is immers het doel waaraan in het kader van de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden. Dit heeft de GI nagelaten. De GI volhardt nu bij haar verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter oordeelt dat de onderbouwing van dat verzoek volstrekt onvoldoende is. De kinderrechter ziet in het gegeven dat de ouders na de thuisplaatsing van [minderjarige] nog begeleiding nodig zullen hebben onvoldoende grond om de uithuisplaatsing te laten voortduren. Evenmin kan de stelling van de GI dat nog onderzocht moet worden waar het reactieve gedrag van [minderjarige] vandaan komt leiden tot de conclusie dat uithuisplaatsing nodig blijft. Gebleken is dat [minderjarige] zowel met de ouders als met de pleegouders een goede warme band heeft. Zowel pleegouders als ouders geven aan dat de huidige situatie, waarin zij noch [minderjarige] weten waaraan zij toe zijn, zeker niet in het belang van [minderjarige] is.