Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- het exploot van dagvaarding d.d. 22 oktober 2021
- de conclusie van antwoord
- de rolbeslissing waarbij een mondelinge behandeling is gelast
- de ten behoeve van de mondelinge behandeling door [eiser] ingezonden akte met producties die door de kantonrechter als conclusie van repliek is aangemerkt
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 maart 2022, waarbij de zaak is verwezen naar rol van 6 april 2022 voor conclusie van dupliek
- de conclusie van dupliek
- de op 14 juni 2022 ter griffie ontvangen akte van de zijde van [eiser] .
2.De feiten
3.De vordering en het geschil
- de vernietiging van voornoemde uitspraak van de Huurcommissie (bedoeld zal zijn: het laten vervallen en laten vervangen door dit vonnis ex artikel 7:262 BW Pro);
- een verklaring voor recht inhoudend dat [eiser] aan [gedaagde] over het servicekosten tijdvak 2017-2018 € 685,94 teveel heeft betaald en over het tijdvak 2018-2019 € 412,33 teveel heeft betaald, althans voor recht te verklaren welke betalingsverplichtingen [eiser] jegens [gedaagde] heeft gehad in die twee boekjaren;
- de veroordeling van [gedaagde] om aan [eiser] € 685,94 en € 412,33 terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf iedere servicekostenmaand tot aan de dag van voldoening;
- de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de proceskosten.