ECLI:NL:RBLIM:2022:7231

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 september 2022
Publicatiedatum
26 september 2022
Zaaknummer
C/03/297209 / HA ZA 21-508
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 BWArt. 6:101 BWArt. 6:102 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling draagplicht hoofdelijk verschuldigde boete bij niet-nakoming levering woning na echtscheiding

De zaak betreft een geschil tussen ex-echtgenoten over de verdeling van de hoofdelijk verschuldigde boete na ontbinding van een koopovereenkomst van een woning. De woning had uiterlijk 15 november 2018 geleverd moeten worden, maar levering is niet doorgegaan omdat de ex-echtgenoot weigerde de transportakte te ondertekenen. De kopers stelden de ex-echtgenoten in gebreke en maakten aanspraak op een boete van €43.000.

De ex-echtgenoot heeft een regeling getroffen met de kopers en een deel van de boete betaald, waarna de procedure tegen hem werd beëindigd. De rechtbank veroordeelde de ex-echtgenote tot betaling van de volledige boete, waarna zij in verzet kwam en de ex-echtgenoot in vrijwaring riep. De ex-echtgenoot kwam op zijn beurt in verzet tegen het verstekvonnis in de vrijwaringsprocedure.

De kern van het geschil is de interne draagplicht van de boete tussen de ex-echtgenoten. De rechtbank stelt dat op grond van artikel 6:101 en Pro 6:102 BW de boete naar evenredigheid van ieders aandeel in het ontstaan van de schuld moet worden verdeeld. Uit de feiten volgt dat de volledige schuld ligt bij de ex-echtgenoot, die onder meer weigerde te tekenen en naliet de woning leeg te maken. Daarom moet hij de volledige boete dragen. De proceskosten in de vrijwaringsprocedure worden gecompenseerd tussen partijen.

Uitkomst: De rechtbank bepaalt dat de ex-echtgenoot de volledige boete moet dragen en compenseert de proceskosten tussen partijen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
zaaknummer / rolnummer: C/03/297209 / HA ZA 21-508
Vonnis in verzet van 28 september 2022
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
gedaagde in het verzet,
advocaat mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
eiser in het verzet,
advocaat mr. F. Terpstra te Eindhoven.
Partijen worden verder aangeduid als “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ”.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het door deze rechtbank op 18 augustus 2021 tussen [eiseres] en [gedaagde] bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer / rolnummer 291013 / HA ZA 21-198, waarin wordt verwezen naar de inleidende dagvaarding. Aan deze dagvaarding zijn gehecht de producties 1 tot en met 5;
  • de verzetdagvaarding, met producties 1 tot en met 4 (aan te merken als de conclusie van antwoord);
  • de akte van 10 november 2021, waarbij [eiseres] op instructie van de rolrechter stukken heeft overgelegd (producties 1 tot en met 10);
  • de naar aanleiding daarvan door [gedaagde] genomen akte onderbouwing verzetdagvaarding, met producties 5 en 6;
  • de mondelinge behandeling die is gehouden op 5 september 2022;
  • de door [eiseres] voor de mondelinge behandeling overgelegde productie 6;
  • de door de gemachtigde van [gedaagde] overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] en [eiseres] zijn ex-echtgenoten. In mei 2019 zijn zij formeel gescheiden. Daaraan voorafgaand hebben zij op 20 juli 2018 hun agrarisch bedrijf met woning in [plaatsnaam] aan de [adres] (verder: “de woning”) verkocht aan [meneer X] en [mevrouw X] (verder: de kopers). Als uiterste leveringsdatum was afgesproken 15 november 2018. [eiseres] had bij notariële akte volmacht verleend voor de levering. [gedaagde] zou persoonlijk bij de notaris verschijnen om mee te werken aan de levering. [gedaagde] heeft dat vervolgens geweigerd. De kopers hebben [eiseres] en [gedaagde] daarop bij brief van 16 november 2018 in gebreke gesteld, echter [eiseres] en [gedaagde] zijn niet tot levering van de woning overgegaan. De kopers hebben daarop de koopovereenkomst ontbonden en bij brief van 10 december 2018 aanspraak gemaakt op de contractuele, hoofdelijk verschuldigde boete ad € 43.000,00.
2.2.
Omdat [eiseres] en [gedaagde] niet tot betaling overgingen, hebben de kopers [eiseres] en [gedaagde] op 28 maart 2019 gedagvaard en hoofdelijke veroordeling tot betaling van de boete gevorderd. [gedaagde] is in rechte verschenen en heeft met de kopers een regeling getroffen. Deze regeling houdt kort gezegd dat [gedaagde] een bedrag van in totaal € 19.801,83 aan de kopers betaalt, onder compensatie van kosten. De procedure tegen [gedaagde] is doorgehaald. De rechtbank heeft tegen [eiseres] verstek verleend en haar (onder meer) veroordeeld tot betaling van de volledige boete. [eiseres] is tegen dit vonnis in verzet gekomen en heeft [gedaagde] in vrijwaring opgeroepen. De rechtbank heeft in het verzet in de hoofdzaak bij vonnis van 18 augustus 2021 geoordeeld dat het inmiddels door [gedaagde] betaalde bedrag van € 19.801,83 in mindering dient te komen op de tegen [eiseres] uitgesproken veroordeling. Daarnaast heeft de rechtbank de buitengerechtelijk kosten alsnog afgewezen. Het verstekvonnis is in zoverre vernietigd dat [eiseres] in het vonnis van 28 maart 2019 moet worden geacht te zijn veroordeeld om aan [mevrouw X] en [meneer X] te betalen een bedrag van € 23.198,17 te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 15 december 2018 tot de dag van volledige betaling. Voor het overige is het verstekvonnis in de hoofdzaak bekrachtigd. [eiseres] is veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure. In de vrijwaringszaak heeft de rechtbank bij vonnis van eveneens 18 augustus 2021 tegen [gedaagde] verstek verleend en hem veroordeeld aan [eiseres] te betalen al hetgeen waartoe [eiseres] in de hoofdzaak jegens de kopers is veroordeeld. Van dit verstekvonnis in de vrijwaringszaak is [gedaagde] thans in verzet gekomen. Daarover gaat deze zaak.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] heeft – kort gezegd - aan haar vorderingen primair ten grondslag gelegd dat [gedaagde] het gehele boetebedrag dient te dragen, nu het aan hem is te wijten dat de levering van de woning aan de kopers niet is doorgegaan. De eisen van redelijkheid en billijkheid, die ook in de onderlinge verhouding tussen hoofdelijk schuldenaren een rol spelen, brengen dat volgens [eiseres] met zich.
3.2.
[gedaagde] betwist – kort gezegd - dat het allemaal zijn schuld is geweest dat de levering niet heeft plaatsgevonden. Daarnaast is het volgens [gedaagde] zo dat het [eiseres] is geweest die in de hoofdzaak haar eigen belangen – en daarmee die van [gedaagde] - niet heeft behartigd door in verzet geen (inhoudelijk) verweer te voeren tegen de vordering van de kopers, maar deze juist te erkennen. Dat maakt dat het juist onredelijk is dat [gedaagde] alsnog voor de volledige vordering van de kopers opdraait. [gedaagde] vordert in deze verzetprocedure dan ook – samengevat – hem te ontheffen van de veroordelingen die tegen hem zijn uitgesproken bij voormeld verstekvonnis van 18 augustus 2021, met zaaknummer 291013 HA ZA 21-198 en de vorderingen van [eiseres] alsnog af te wijzen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de verstek- en de verzetprocedure.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat het verstekvonnis in vrijwaring per exploot van 30 augustus 2021 aan hem is betekend. De verzetdagvaarding is op 24 september 2021 aan [eiseres] betekend. Ingevolge artikel 143 lid 2 Rechtsvordering Pro dient verzet te worden aangetekend binnen 4 weken na betekening in persoon of na een daad van bekendheid van de veroordeelde. [gedaagde] heeft dus tijdig verzet ingesteld waardoor hij ontvankelijk is in zijn verzet.
4.2.
De kern van het geschil gaat over de vraag hoe in dit geval tussen partijen de onderlinge draagplicht van de hoofdelijk verschuldigde boete verdeeld dient te worden.
4.3.
Op grond van de wet (artikel 10 van Pro boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) zijn [gedaagde] en [eiseres] ieder voor het gedeelte van de schuld dat ieder van hem/haar in de onderlinge verhouding aangaat, verplicht in de schuld bij te dragen. Betaalt een van hen meer dan het gedeelte dat hem/haar in de onderlinge verhouding aangaat, dan heeft hij/zij voor dit meerdere verhaal op de ander. Voor de grootte van ieders aandeel in de onderlinge verhouding is geen algemene regel te geven. Voor zover de wet geen oplossing biedt, is iedere schuldenaar voor een gelijk deel draagplichtig (Jac. Hijma & M.M. Olthof, Compendium van het Nederlands vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 310).
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt de wet in dit geval een oplossing. De overeengekomen boete is blijkens de tekst van de betreffende bepaling immers niet alleen bedoeld als prikkel tot nakoming, maar strekt tevens tot vergoeding van schade. De tekst luidt immers (onderstreping rechtbank):
“(…)
Bij ontbinding van de koopovereenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van tien procent (10%) van de koopsom verbeuren,onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding, indien de daadwerkelijke schade hoger is dan de onmiddellijk opeisbare boete, en onverminderd vergoeding van kosten van verhaal.
Dat betekent dat het bepaalde in artikel 102 van Pro boek 6 BW de grondslag is voor de vaststelling van ieders aandeel in de onderlinge verhouding. Op grond van dat artikel wordt de schade verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 101, tenzij uit wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit. Dat laatste is hier niet aan de orde. Op grond van artikel 101 dient Pro de interne draagplicht te worden vastgesteld naar evenredigheid van ieders aandeel in het ontstaan van de schuld. Daarover het volgende.
4.5.
Vast staat dat op 15 november 2018 geleverd moest worden en dat [gedaagde] heeft geweigerd de transportakte te ondertekenen. Daardoor heeft de levering van de woning niet plaats kunnen vinden. [gedaagde] heeft ter verdere motivering van zijn stelling, dat het niet aan hem te wijten was dat de levering geen doorgang kon vinden, het volgende gesteld. In de eerste plaats heeft hij erop gewezen dat de kopers de waarborgsom niet hadden betaald. Uit de eigen stellingen van [gedaagde] blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat dit niet-betalen van de waarborgsom heeft geleid tot een ontbinding van de koopovereenkomst. De verplichting tot levering is dus blijven bestaan. In de tweede plaats heeft [gedaagde] gesteld dat hij de woning niet kón leveren, omdat er nog spullen van [eiseres] in de woning stonden. [eiseres] heeft ter zitting echter uitgelegd dat de woning steeds verhuurd is geweest en dat wat er nog stond van de (gewezen) huurders was. [gedaagde] heeft dat niet weersproken. Omdat [gedaagde] tot aan het moment waarop de woning moest worden geleverd in de woning verbleef en [eiseres] elders was gehuisvest, lag het naar het oordeel van de rechtbank op de weg [gedaagde] om te zorgen dat deze spullen werden opgeruimd, wat hij dus kennelijk niet heeft gedaan. In de derde plaats heeft [gedaagde] aangevoerd dat er nog divers groot afval, zoals bouwafval, oud ijzer en asbesthoudende materialen, op het erf lag wat nog moest worden opgeruimd. [gedaagde] kon dat naar zijn zeggen niet doen, omdat zijn trekker bij de broer van [eiseres] stond en deze de trekker niet wilde afgeven. Naar het oordeel van de rechtbank was dit echter geen reden om niet te gaan opruimen, omdat [gedaagde] ook een trekker had kunnen huren om het afval op te ruimen. In de vierde plaats en tot slot heeft [gedaagde] gesteld dat hij niet zijn intrek kon nemen in de woning aan de [straatnaam] , omdat [eiseres] daar nog woonde. Ook dat is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om niet tot levering van de woning over te gaan, omdat [gedaagde] ook elders woonruimte had kunnen huren voor zo lang als dat nodig was.
4.6.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de volledige schuld van het niet leveren van de woning bij [gedaagde] ligt. [gedaagde] is in de onderlinge verhouding met [eiseres] dan ook de volledige boete verschuldigd. Dat [eiseres] de verschuldigdheid van de boete later in de hoofdzaak zou hebben erkend, staat daar los van en maakt dit niet anders.
Ter zitting heeft [eiseres] gesteld dat zij het deel van de boete waartoe zij in de hoofdzaak tot betaling is veroordeeld nog niet volledig heeft voldaan, maar dat daarvoor loonbeslag is gelegd. Gelet op het bepaalde in artikel 6:10 lid 2 BW Pro, heeft [eiseres] slechts een regresvordering op [gedaagde] voor zover zij aan de kopers heeft betaald. Nu niet duidelijk is wat [eiseres] al wel heeft betaald en omdat, al dan niet via het gelegde loonbeslag, nog betalingen zullen volgen zal, na gedeeltelijke vernietiging van het verstekvonnis, de vordering worden toegewezen als hierna bepaald.
4.7.
Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn zullen de proceskosten in de vrijwaringszaak tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Nu [gedaagde] in het verstekvonnis in de proceskosten van de vrijwaringsprocedure is veroordeeld zal het verstekvonnis in zoverre worden vernietigd.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
vernietigt het door deze rechtbank op 18 augustus 2021 onder zaaknummer / rolnummer 291013 / HA ZA 21-198 gewezen verstekvonnis in zoverre dat [gedaagde] aan [eiseres] (telkens) dient te betalen wat [eiseres] aan [mevrouw X] en [meneer X] betaalt of reeds betaald heeft in aflossing op het bedrag dat zij uit hoofde van het vonnis in verzet van 18 augustus onder zaaknummer / rolnummer 287241 / HA ZA 21-24 dient te betalen en dat [gedaagde] de betaling dient te verrichten binnen 2 weken nadat [eiseres] aan hem bewijs van haar betaling aan [mevrouw X] en [meneer X] heeft verstrekt,
5.2.
vernietigt het door deze rechtbank op 18 augustus 2021 onder zaaknummer / rolnummer 291013 / HA ZA 21-198 gewezen verstekvonnis voor wat betreft de veroordeling in de kosten,
5.3.
compenseert de kosten van de vrijwaringsprocedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling onder punt 5.1 tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
bekrachtigt het verstekvonnis voor het overige,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2022. [1]

Voetnoten

1.type: EB