Uitspraak
8 augustus 2018 in het bestreden besluit ingetrokken (lees: herroepen).
1 april 2019 eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:8 van Pro de AGM wegens een ernstig en onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding en een impasse in de arbeidsrelatie, onder vaststelling van een ontslagregeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 10d:4 van de AGM. Het bezwaar tegen dit besluit heeft verweerder met het bestreden besluit ongegrond verklaard.
6 oktober 2021 werd gedaan.
- Het planningsgesprek dat met eiser op 7 april 2015 is gevoerd, kan geen grond vormen voor het standpunt van verweerder dat de verhoudingen binnen het team dermate verstoord waren dat verdere samenwerking niet meer mogelijk was. In het verslag van het planningsgesprek staat niet dat eiser niet bereid was tot samenwerking, terwijl in het verslag ook niet is neergelegd dat samenwerking niet meer mogelijk was. Ook blijkt niet uit de reactie van eiser op het verslag dat het volgens eiser aan zijn leidinggevende was om zijn collega’s tot een ander opstelling tegenover hem te bewegen. Eiser heeft enkel de suggestie opgeworpen dat zijn leidinggevende hierin een rol zou kunnen spelen.
- Volgens de rechtbank is niet gebleken dat de situatie escaleerde nadat eiser was afgewezen voor een nieuwe functie van coördinator, hij gedeeltelijk boventallig was verklaard en hem in het kader van een Van werk naar werk-traject een functie voor twintig uur per week bij Sociale Zaken was aangeboden. De verklaringen van
- De rechtbank is verder van oordeel dat eiser het recht had zich te verweren tegen de fulltime aanstelling bij Sociale Zaken, omdat hij daardoor in het geheel geen werkzaamheden als docent zou kunnen verrichten. Niet gebleken is dat eiser daarbij de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden. Ook het besluit tot verlenging van de tijdelijke plaatsing bij Sociale Zaken ontbeert volgens de rechtbank een deugdelijke motivering, omdat niet wordt gemotiveerd waarom deze verlenging is aangewezen.
19 september 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3090) bevestigd.
23 april 2021 over de klacht van eiser van augustus 2018 met als bijlagen de geanonimiseerde gespreksverslagen van de gesprekken met de medewerkers van IMI en Hoffmann.
1 september 2016, tot twee maal toe is verlengd (eerst tot 1 januari 2018 en later tot
1 juli 2018). Feitelijk is er hierdoor geen einde gekomen aan de plaatsing per 1 januari 2018. De aangevoerde reden van verweerder om het vwnw-traject weer te hervatten, is volgens eiser daarom niet valide. Daarnaast heeft verweerder per 1 mei 2017 geen invulling gegeven aan het vwnw-traject.
27.Het beroep is gegrond.
20 maart 2019. Op grond van het ontslagbesluit komt aan eiser reeds geen bovenwettelijke nawettelijke WW-uitkering toe.
34.De bezwaarschriften van eiser zijn van respectievelijk 24 mei 2017,17 september 2018 en 25 april 2019. De hoorzitting in bezwaar heeft plaatsgevonden op14 juni 2019. Het advies van de bezwaaradviescommissie was van juli 2019.
14 januari 2021 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Bij brief van 10 augustus 2021 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn bezwaren.
- Voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar wordt een bedrag van in totaal € 2.164,- toegekend (per bezwaarschrift 1 punt voor het indienen daarvan (maakt 3 punten), voor het verschijnen bij de hoorzitting 1 punt vanwege samenhangende zaken, maakt 4 punten, met wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 541,-).
- Voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep wordt een bedrag van in totaal € 2.277,- toegekend (voor het indienen van de beroepschriften
- Voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ook nog