Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De ontvankelijkheid van de officier van justitie
4.De beoordeling van het bewijs
aangehouden. Tijdens het vervoer van medeverdachte [medeverdachte 1] naar het politiebureau alsmede in het cellencomplex rook verbalisant een sterke benzinelucht die bleef aanhouden. [7]
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De straf en/of de maatregel
8.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
.Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partijen voor wat betreft het gevorderde bedrag aan immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel te matigen wegens gebrek aan onderbouwing.
de factovoor rekening voor de benadeelde partij. Gezien de hoogte van de schade enerzijds en de kosten, tijd en moeite van een juridische procedure tegen de verhuurder, waarvan de uitkomst ongewis is anderzijds, kan niet van de benadeelde partij worden verlangd dat zij een dergelijke procedure voert als vorm van schadebeperking (nog afgezien van het feit dat de schade daarmee niet daadwerkelijk wordt beperkt maar hooguit verlegd en dit aan de aansprakelijkheid van de verdachte niets afdoet).
8.743,59bestaande uit € 6.243,59 materiële schade en € 2.500,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2021.
€ 2.500,-bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2021.
9.Het beslag
10.De wettelijke voorschriften
11.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- wijstde vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 3] , gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van €
8.743,59(bestaande uit 6.243,59 euro materiële en 2.500,- euro immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 1 december 2021 tot aan de dag van de volledige voldoening; - bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;
- verklaart [slachtoffer 3] voor de meergevorderde schade niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze aan de zijde van [slachtoffer 3] tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 3] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;
- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;
- wijstde vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 4] , gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van €
2.500,-(bestaande uit immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 1 december 2021 tot aan de dag van de volledige voldoening; - bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;
- verklaart [slachtoffer 4] voor de meergevorderde schade niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze aan de zijde van [slachtoffer 4] tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op
- bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer 4] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;
- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen.
gelast de teruggavevan het volgende in beslag genomen voorwerp aan de rechthebbende: