Op 24 oktober 2021 vonden meerdere incidenten plaats in een woning voor arbeidsmigranten te Heel, waarbij verdachte werd beschuldigd van poging doodslag, zware mishandeling en mishandeling jegens drie slachtoffers. De zaak werd behandeld op 5 oktober 2022, waarbij verdachte en zijn raadsvrouw aanwezig waren. Het dossier bevatte tegenstrijdige verklaringen van aangevers en getuigen, en er ontbrak objectief bewijs.
De officier van justitie vorderde vrijspraak voor het eerste feit wegens onvoldoende bewijs, erkende mishandeling met een stofzuiger bij het tweede feit, maar achtte poging doodslag wettig bewezen bij het derde feit. De verdediging betwistte alle tenlasteleggingen en stelde dat de verklaringen onbetrouwbaar en tegenstrijdig waren.
De rechtbank oordeelde dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat verdachte met een mes had gestoken of gesneden, noch dat hij met de stofzuiger had geslagen of gegooid. De verklaringen waren inconsistent en het letsel van verdachte paste bij zijn eigen verklaring van het incident. Voor het derde feit kon niet worden vastgesteld dat verdachte met opzet handelde, ook niet voorwaardelijk, waardoor ook daarvoor vrijspraak volgde.
De benadeelde partij diende een civiele vordering in, maar deze werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het strafrechtelijk feitencomplex niet bewezen werd. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de kosten, vastgesteld op nihil. De uitspraak werd gedaan op 19 oktober 2022 door de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg.