ECLI:NL:RBLIM:2022:8073
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bestuursrechtelijke aard vordering UWV op grond van artikel 66 WW en dwangsombepaling
Eiser, voormalig vennoot van een failliete werkgever, maakte bezwaar tegen een brief van het UWV waarin een vordering werd gesteld op grond van artikel 66 van Pro de WW. De rechtbank oordeelt dat de brief voor het deel gebaseerd op artikel 66, eerste lid, WW geen besluit is in de zin van de Awb, omdat het een privaatrechtelijke vordering betreft die door wettelijke subrogatie op het UWV is overgegaan.
Voor het deel van de vordering gebaseerd op artikel 66, tweede lid, WW, waarin het UWV werkgeverspremies verhaalt, kwalificeert de rechtbank de brief wel als een besluit in de zin van de Awb. Het bezwaar van eiser tegen dit deel van de vordering was ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank vernietigt het besluit op bezwaar en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het UWV te laat heeft beslist op het bezwaar, waardoor eiser recht heeft op een dwangsom van € 1.442,00. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De rechtbank benadrukt dat praktische complicaties door de verschillende rechtsgangen voor de twee onderdelen van artikel 66 primair Pro door de wetgever moeten worden opgelost.
Uitkomst: Het besluit op bezwaar wordt vernietigd, het UWV moet een nieuw besluit nemen en betaalt een dwangsom en proceskosten aan eiser.