Op 10 maart 2022 ontstond in een AZC een conflict tussen verdachte en aangever over een katoenen riem met daarin opgerolde Koran-teksten, die aangever wilde afpakken. Verdachte pakte een mes om aangever af te schrikken. Tijdens een worsteling raakte verdachte aangever met het mes aan de arm en hals, wat leidde tot snijwonden.
De rechtbank oordeelde dat de poging tot doodslag niet bewezen kon worden, omdat niet vaststond dat verdachte hakkende of steekbewegingen richting de hals of het gezicht maakte. Wel was sprake van poging tot zware mishandeling door zwaaiende bewegingen met het mes richting de arm. Verdachte handelde bewust met aanmerkelijke kans op zwaar letsel.
Het beroep op noodweer werd verworpen omdat de verdediging met het mes niet in redelijke verhouding stond tot het afpakken van het medicijn. Verdachte overschreed de grenzen van noodzakelijke verdediging. De rechtbank veroordeelde verdachte tot 5 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. De schadevordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege eigen schuld en complexiteit, en verwezen naar de burgerlijke rechter.