De rechtbank Limburg behandelde de ontnemingsvordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht tegen verdachte wegens verduistering gepleegd in de periode van 2012 tot 2018. De officier van justitie vorderde aanvankelijk €461.969,01, later bijgesteld naar €389.721,67, als wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank stelde vast dat het bewezen verduisterde bedrag €285.406,67 bedraagt en dat dit bedrag als wederrechtelijk voordeel aan verdachte moet worden ontnomen. De rechtbank legde verdachte de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
De rechtbank zag geen aanleiding om het bedrag te verminderen met vorderingen van de benadeelde partij, omdat verdachte nog niets had betaald en de vorderingen niet onherroepelijk waren toegekend. De rechtbank besloot af te zien van een schadevergoedingsmaatregel ten gunste van de Staat, omdat de benadeelde partij actief verhaal nastreeft.
De rechtbank achtte de redelijke termijn niet overschreden en bepaalde de gijzelingstermijn op 1080 dagen. De uitspraak werd gewezen door voorzitter Rulkens en rechters Loof en van de Pasch op 3 november 2022.