ECLI:NL:RBLIM:2022:9520

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 december 2022
Publicatiedatum
1 december 2022
Zaaknummer
ROE 22 / 2553 en ROE 22 / 2568
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.2 WaboArt. 2.12 WaboArt. 2.27 Wabo
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor 13 woningen in Belfeld

Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen de verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van 13 sociale huurwoningen, het aanleggen van een inrit/uitweg en kabels en leidingen in Belfeld. De vergunning werd verleend ondanks dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het niet binnen het bouwvlak ligt en de bestemming 'Maatschappelijk' niet voor wonen is bestemd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad niet vereist is, omdat het bouwplan binnen het door de raad goedgekeurde ruimtelijk kader, de Woonvisie Venlo 2021-2026, past. De voorzieningenrechter stelt dat de toevoeging van 13 sociale huurwoningen past binnen het streven naar een gemengd woningaanbod in Belfeld.

Verzoekers voerden aan dat de situering van de woningen leidt tot privacyverlies en waardevermindering van hun woningen, en dat de afwijking van het bestemmingsplan op minder bezwarende wijze had kunnen plaatsvinden. De voorzieningenrechter acht deze bezwaren onvoldoende onderbouwd en stelt dat de bouwhoogte en afstand tot de woningen van verzoekers binnen redelijke grenzen blijven.

De voorzieningenrechter concludeert dat het besluit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat verweerder redelijkerwijs van zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan gebruik heeft kunnen maken. De verzoeken om voorlopige voorziening worden daarom afgewezen.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af omdat het bouwplan binnen de Woonvisie past en niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummers: ROE 22/2553 en ROE 22/2568

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 december 2022 in de zaak tussen

ROE 22/2553:

[naam 1] , uit [woonplaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. M.H.C. Peters)

ROE 22/2568:

[naam 2] , uit [woonplaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. M.R.A. Arntz),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder,

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Woonwenz, gevestigd in Venlo (vergunninghouder).

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de verleende omgevingsvergunning
voor het oprichten van 13 woningen, het aanleggen van een inrit/uitweg en het
aanleggen van kabels en leidingen aan de [straat 1] [huisnummers 1] (even), [straat 2] [huisnummers 2]
(even) en [straat 3] [huisnummers 3] (oneven) in Belfeld (hierna: het bouwplan). Met het bestreden besluit van 12 juli 2022 heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 november 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigden van verzoekers en de gemachtigde van verweerder. Namens vergunninghouder is verschenen [naam 3] , Projectmanager.

Totstandkoming van het besluit

1. Op 18 juni 2021 heeft vergunninghouder een aanvraag voor het bouwplan op onderhavig projectgebied ingediend. Dit projectgebied is, na de sloop van een voormalige school, braakliggend. Met het bouwplan wil vergunninghouder 13 sociale levensloopbestendige huurwoningen oprichten. Het oprichten van 13 woningen is in strijd met plaatse geldende bestemming ‘Maatschappelijk’ van het bestemmingsplan ‘Kern Belfeld’ (hierna: het bestemmingsplan). De gronden met de bestemming ‘Maatschappelijk’ zijn namelijk niet voor wonen bestemd en de woningen zijn buiten het bouwvlak gesitueerd. De aanvraag heeft onder andere betrekking op de activiteiten ‘het (ver)bouwen van een bouwwerk’ (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo)) en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo). [1]
2. Verzoekers wonen in de directe omgeving van het bouwplan.
3. Verweerder heeft het bestreden besluit voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Hij heeft daartoe ten aanzien van de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ overwogen dat de aanvraag past binnen een goede ruimtelijke ordening. In dat kader is verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing [straat 3] (ong.), Belfeld’ van 17 juni 2022, die deel uitmaakt van het bestreden besluit.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb alleen een voorlopige voorziening indien onverwijlde spoed dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van zo’n spoedeisende situatie dat een beslissing in de hoofdzaak – in dit geval een beslissing op het beroep – niet kan worden afgewacht.
5.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat vergunninghouder met de verlening van de omgevingsvergunning de mogelijkheid heeft gekregen om 13 woningen op te richten. Verzoekers hebben een brief van 28 oktober 2022 overgelegd waaruit blijkt dat op
31 oktober 2022 met de bouwwerkzaamheden wordt gestart en dat de oplevering van de woningen voor het bouwvak 2023 staat gepland. Gelet hierop bestaat spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.
5.2.
In deze procedure ligt de vraag voor of het bestreden besluit in beroep naar verwachting in stand zal blijven.
Is een verklaring van geen bedenkingen nodig? (ROE 22/2553 en ROE 22/2568)
6. Verzoekers voeren aan dat een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad (hierna: raad) nodig is om de gevraagde omgevingsvergunning te kunnen verlenen. De reden hiervoor is dat het bouwplan niet past binnen het ruimtelijk kader dat door de raad is goedgekeurd. Het bouwplan is immers niet in overeenstemming met de ‘Woonvisie Venlo 2021-2026’ (hierna: Woonvisie). Verzoekers voeren daartoe aan dat verweerder door het verlenen van een omgevingsvergunning voor 13 woningen in de sociale huursector niet meewerkt aan een gezonde mix van woningsegmenten in wijken en dorpen. Op minder dan 500 meter van onderhavige locatie worden ook al 8 sociale huurwoningen gebouwd. In de Woonvisie staat dat bij nieuwbouw door woningbouwcorporaties 30% van de woningen in de vrije sector verkocht dan wel verhuurd moet worden. Dat is hier niet het geval.
6.1.
Verweerder is met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo afgeweken van het bestemmingsplan. Uit artikel 2.27 van de Wabo en artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) volgt dat daarvoor een verklaring van geen bedenkingen van de raad nodig is. In artikel 6.5, derde lid, van het Bor is bepaald dat de raad categorieën gevallen kan aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. De raad heeft dit bij besluit van 25 maart 2015 gedaan. Hierin is onder andere bepaald dat in het geval waarin verweerder het bevoegd gezag is en het een initiatief betreft dat past binnen een ruimtelijk kader dat de raad reeds heeft goedgekeurd, zoals een structuurvisie, stedenbouwkundige visie, stedenbouwkundige randvoorwaarden, masterplan, gebiedsvisie, projectplan, verkeers- en vervoersplan of woningbouwprogramma een dergelijke verklaring niet vereist is. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het oprichten van 13 woningen binnen de Woonvisie past en om die reden een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist.
6.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het oprichten van 13 woningen binnen de Woonvisie past. Verweerder heeft gemotiveerd dat in Belfeld wordt ingezet op transformatie door verdunning en toevoeging van ruimtelijke kwaliteit. Hierbij ligt de focus op het toevoegen van kwaliteit en diversiteit aan de woningvoorraad. Met de voorgenomen ontwikkeling worden 13 sociale levensloopbestendige huurwoningen ontwikkeld naar een lokale behoefte en wordt kwaliteit toegevoegd aan de woningvoorraad. Hierdoor draagt het initiatief bij aan een verbetering van de woonaantrekkelijkheid en ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De voorzieningenrechter overweegt verder dat uit paragraaf 2.3 van de Woonvisie blijkt dat de raad een gezonde mix van woningsegmenten in de wijken en de buurten wil. Daarbij wil de raad meer sturen op de samenstelling van de woningvoorraad op buurtniveau. De raad wil bij nieuwbouw sturen naar een meer gemengd profiel. In geval van sloop-en nieuwbouwprojecten van woningcorporaties gaat de raad uit van meer diversiteit. Dit houdt in dat 30 procent van hetgeen wordt teruggebouwd, in de vrije sector terugkomt. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat, in het geval woningen worden gesloopt en vervolgens nieuwe woningen worden gebouwd, 30 procent van de gesloopte woningen in de vrije sector terugkomt. Anders dan verzoeker stelt, staat hier niet dat bij nieuwbouw (zonder sloop)
30 procent van de woningen voor de vrije sector zijn bedoeld. In dat geval is er immers geen sprake van het ‘terugbouwen’ van woningen. Op onderhavig projectgebied heeft vergunninghouder geen woningen gesloopt. De voorzieningenrechter overweegt verder dat verweerder heeft toegelicht dat Belfeld als een gemengd gebied is aan te merken, nu
69 procent van de woningen koopwoningen en particuliere huurwoningen zijn en 31 procent van de woningen sociale huurwoningen. Door het toevoegen van slechts 13 sociale huurwoningen kan Belfeld nog steeds als een gemengd gebied worden gezien. Dit past bij het streven van de raad voor een gemengd profiel van een wijk of een buurt. Gelet op het voorgaande is een verklaring van geen bedenkingen van de raad niet vereist.
Is sprake van een goede ruimtelijke ordening? (ROE 22/2553)
7. Verzoeker voert aan dat bebouwing voorheen midden op het terrein was gesitueerd. Omdat de vergunde woningen aan de rand van het terrein worden gebouwd, komen die woningen dicht op de oprit van verzoeker te liggen. Hierdoor zal verzoeker hinder (aantasting van zijn privacy) ondervinden en zal zijn woning minder waard zijn. Verweerder had dan ook moeten nagaan of de afwijking van het bestemmingsplan op een minder bezwarende wijze had gekund. Verweerder had ook moeten onderbouwen waarom het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
7.1.
Verweerder komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
7.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder een aanvraag moet beoordelen zoals die is ingediend. [2] Indien het bouwplan op zichzelf voor verweerder aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Het is aan degene die stelt dat er alternatieven zijn om deze alternatieven te benoemen en aannemelijk te maken dat op voorhand duidelijk is dat verwezenlijking van het alternatief een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert. [3] Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker dit niet aannemelijk gemaakt, nu niet is geconcretiseerd op welke wijze de woningen zouden kunnen worden gesitueerd, of er dan evenveel woningen gerealiseerd zouden kunnen worden, of er dan sprake zou zijn van een goede ruimtelijke ordening en, in dat kader, wat de invloed van een gewijzigde situering zou zijn op het woon- en leefklimaat van de andere omwonenden.
Op zitting is betoogd om de situering van de gevraagde woningen ten opzichte van de woningen van verzoekers te wijzigen, in die zin dat de twee-onder-een kapwoningen (in totaal vier woningen) aan de [straat 2] komen te liggen in plaats van de vijf rijwoningen. Hiermee wordt de privacy niet meer aangetast. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de bij de vergunning horende tekeningen volgt dat bij deze situering de afstand tussen de twee-onder-een kapwoningen en de woning van verzoeker minder zal zijn dan bij de rijwoningen, nu de voortuin van de twee-onder-een kapwoningen 2,5 meter bedraagt en bij de rijwoningen 5 meter. Hiermee wordt niet een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren bereikt.
7.3.
Verder overweegt de voorzieningenrechter dat volgens het bestemmingsplan het mogelijk is om in de bestemming ‘Maatschappelijk’ gebouwen, zoals een school, binnen het bouwvlak op te richten met een bouw- en goothoogte van 12 meter. Uit de bouwtekeningen behorende bij de aanvraag en de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de nokhoogte van de vijf te bouwen woningen aan de [straat 2] , waar verzoeker ook woont, 6,6 meter bedraagt. [4] De vergunde bouwhoogte van de woningen sluit daarmee aan bij de bestaande woningen en is dus aanzienlijk lager dan wat planologisch is toegestaan.
7.4.
De afstand tussen het bouwvlak en de woning van verzoeker bedraagt ongeveer
17 meter. Hoewel het juist is dat de vijf woningen dichter bij de woning van verzoeker komen te liggen dan wat planologisch in de bestemming ‘Maatschappelijk’ is toegestaan, maakt deze omstandigheid niet dat het bouwplan zal leiden tot onevenredige aantasting van de privacy van verzoeker. Daarbij is van belang dat er tussen de vergunde woning en het perceel van verzoeker nog een voortuin, een groenstrook en een voetpad is gelegen. Verzoeker heeft er ter zitting op gewezen dat hij een (enkel) raam in de zijgevel van zijn woning heeft. Uit de bij de vergunning horende tekeningen blijkt echter dat de zijgevel van de woning van verzoeker niet op de erfgrens is gelegen, maar voorbij de aan die zijde van het perceel gelegen oprit. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, gelet op de afstand tussen de zijgevel van de woning van verzoeker en de voorgevel van de vergunde woningen niet aannemelijk is dat de privacy van verzoeker wordt aangetast.
7.5.
Wat betreft het betoog van verzoeker dat het bouwplan tot waardevermindering van zijn woning zal leiden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker dit niet aannemelijk heeft gemaakt. De enkele vrees voor waardevermindering leidt niet tot het oordeel dat verweerder de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen.
7.6.
Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan gebruik kunnen maken.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: 1 december 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 december 2022.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.De aanvraag heeft ook betrekking op de activiteiten zoals opgenomen in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo en artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2970.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1312.
4.De bouwhoogte van de woningen in de [straat 2] mogen volgens het bestemmingsplan maximaal 7 en 9 meter zijn.