Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
747,00
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een kort geding over de loondoorbetalingsplicht van een werkgever jegens een werknemer die sinds april 2020 ziek is gemeld en ononderbroken arbeidsongeschikt is. De werknemer staat onder bewind en wordt vertegenwoordigd door een bewindvoerder die betaling van achterstallig loon en vakantiebijslag vordert, alsmede wettelijke rente en verhoging.
De werkgever kreeg van het UWV een loonsanctie opgelegd omdat hij niet voldeed aan zijn re-integratieverplichtingen. Hierdoor werd de loondoorbetalingsperiode verlengd tot april 2023. De werkgever heeft het loon over de loonsanctieperiode niet betaald, waarop de bewindvoerder een kort geding startte.
De kantonrechter oordeelt dat de werkgever gehouden is het volledige loon, inclusief vakantiebijslag en wettelijke verhoging, te betalen over de periode van 7 april 2022 tot en met 31 oktober 2022, en voorwaardelijk over de periode daarna tot het einde van de loonsanctie. De werkgever erkent de loondoorbetalingsplicht en heeft geen voldoende verweer gevoerd tegen de vordering. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de werkgever wordt veroordeeld tot het verstrekken van deugdelijke loonspecificaties binnen twee weken onder dwangsom. De proceskosten worden aan de werkgever opgelegd.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, vakantiebijslag, wettelijke verhoging en rente, en tot het verstrekken van loonspecificaties.