4.3Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schending van het ambtsgeheim (feit 1) en computervredebreuk (feit 2). De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, omdat de verdachte dit feit heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit (artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:
- de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie en ter terechtzitting van 25 januari 2023;
- het proces-verbaal van 18 november 2020 (zaaksdossier 6);
- het proces-verbaal van 25 november 2020 (zaaksdossier 11);
Voortgezette handeling feit 1 en 2
De rechtbank merkt daarbij wel op dat het tenlastegelegde onder feit 1 en het tenlastegelegde onder feit 2 in deze zaak onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: het ambtsgeheim werd in de zaaksdossiers 6 en 11 geschonden (feit 1), nadat door middel van computervredebreuk politiegegevens waren opgevraagd (feit 2). Verdachte heeft immers informatie opgezocht voor privékwesties van een vriend en een nicht. Juist doordat verdachte in staat was in de digitale politiesystemen binnen te dringen, was hij in staat zijn ambtsgeheim te schenden. De rechtbank beschouwt beide feiten dan ook als een zogenaamde voortgezette handeling en zal hiermee bij de afdoening van deze zaak rekening houden.
Vrijspraak overige zaaksdossiers feit 2
De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de zaaksdossiers 1 tot en met 5, 7 tot en met 10 en 12 niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan computervredebreuk. In sommige gevallen omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de politiesystemen überhaupt heeft bevraagd en in andere gevallen omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte dit deed met een ander doel dan zijn politiewerk. De rechtbank acht computervredebreuk dus ook alleen bewezen op 9 maart 2017 en 22 september 2022.
03/121475-22
De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 03/121475-22 tenlastegelegde. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op 23 augustus 2019 is de inboedel van een woning aan de [adres 2] in Herten beschadigd als gevolg van het blussen van een brand die was ontstaan bij een auto op de oprit. Bewoner [Benadeelde] heeft deze schade gemeld bij zijn verzekeraar. De brandweer had op 23 augustus 2019 in de garage een hennepkwekerij ontdekt, die al was aangelegd maar niet opgestart. De woning werd van 17 september 2019 tot 17 oktober 2019 gesloten en verzegeld op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De bewoner heeft vervolgens aangifte gedaan van een inbraak die hij op 17 oktober 2019 zou hebben ontdekt. Op 27 maart 2020 heeft de verzekeraar beslist dat zij de inboedelschade die is geclaimd na de autobrand niet vergoedt, omdat in de garage een hennepkwekerij is aangetroffen.
De rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte op 4 november 2019 politie-informatie met betrekking tot de aanwezigheid van een hennepkwekerij heeft gedeeld met [naam 2] , de schade-expert die namens de verzekeraar de inboedelschade had onderzocht. [naam 2] mailt op die dag namelijk aan de verzekeraar dat hij net van verdachte heeft gehoord dat in de betreffende woning een hennepplantage is aangetroffen. De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte deze zelfde informatie ook met andere medewerkers van een verzekeringsmaatschappij of een schade-expertbureau heeft gedeeld, omdat in de overige correspondentie met deze betrokkenen niet wordt gesproken over een hennepkwekerij (zoals ten laste gelegd).
De rechtbank oordeelt dat dit informatie is die hij als ambtenaar van de politie in beginsel geheim moest houden, ook al was de vermoedelijke overtreding van de Opiumwet openbaar aangeplakt. Ten eerste werd met die openbare informatie niet bekend gemaakt dat in de garage een hennepkwekerij stond. Ten tweede gaat het in deze zaak om de ambtsplicht om zélf geen informatie te delen, die ook bestaat en blijft bestaan als anderen dezelfde informatie via een andere weg (kunnen) vernemen.
Verdachte zegt dat hij ervan uitging dat hij deze informatie in dit geval wel mocht delen met de schade-expert. De bewoner had hem namelijk verteld dat hij ook de inbraakschade zou gaan claimen bij de verzekeraar, maar verdachte en zijn collega vermoedden dat die aangifte vals was en voorzagen dus mogelijke verzekeringsfraude. Zij baseerden dit vermoeden op diverse (technische) bevindingen, onder meer over de verzegeling van de woning.
De vraag is of verdachte onder de omstandigheden van dit geval mocht denken dat hij deze informatie met deze persoon mocht delen.
Verdachte heeft in verband met het vermoeden van een valse aangifte een journaal bijgehouden. Dit journaal bevindt zich in het dossier en hierin is alles met betrekking tot de aangetroffen situatie op het adres van [Benadeelde] door verdachte vastgelegd. Verdachte heeft zijn bevindingen en communicatie met de schade-expert blijkens het dossier op verschillende momenten met het team Veiligheid Integriteit & Klachten van de politie Eenheid Limburg gedeeld, ruim voordat hij werd verdacht van enig strafbaar feit. Verdachte heeft daarnaast bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij meende rechtmatig te handelen op basis van het ‘Kaderconvenant Samenwerking aanpak verzekeringsfraude en gerelateerde criminaliteit’ tussen de politie en het Verbond van Verzekeraars.
De rechtbank concludeert dat verdachte onder deze omstandigheden dacht én mocht denken dat hij deze informatie met de schade-expert mocht delen. Voor dit oordeel is niet beslissend of verdachte de juiste persoon was om deze informatie te delen en of dit de juiste manier was om dat te doen, want hem wordt niet verweten dat het juridisch anders zat maar wel dat hij beter had moeten weten. Dat is volgens de rechtbank echter niet bewezen. Zij kan dus niet vaststellen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij de gedeelde informatie voor de schade-expert geheim had moeten houden en spreekt hem daarom vrij van dit feit.