12.5.Nu het bestemmingsplan kennelijk bebouwing met vergelijkbare, dus niet extra nadelige, gevolgen voor het woon- en leefklimaat van eiser toelaat kan niet worden gezegd dat de vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van 0,75 meter bredere hoofdgebouwen (dan artikel 6.2.2, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan toestaat) in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening. Wat betreft de vergunde grotere breedte van de woning komt daar nog bij dat deze grotere breedte niet van invloed is op de bouwmassa die eiser ervaart omdat de afstand tot zijn perceelsgrens de in het bestemmingsplan voorgeschreven 3 meter bedraagt.
De 3 meter diepere bouw van het hoofdgebouw
13. Eiser verwijst ten aanzien van de vergunning voor het afwijken van de maximale diepte van 15 meter die het hoofdgebouw, gelet ook op het bouwvlak, op grond van de bouwregels maximaal mag hebben, wederom naar de omvang van de extra bebouwing en de gevolgen voor zijn privacy (als gevolg van het dakterras), het uitzicht, de schaduwwerking en de bezonning.
14. De rechtbank overweegt als volgt. Zoals onder 12.4 is overwogen kan op grond van het bestemmingsplan op de percelen 19 en 21 bebouwing worden gerealiseerd die het woon- en leefklimaat van eiser evenzeer zou beïnvloeden als de vergunde bouwplannen. De vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de 3 meter diepere hoofdgebouwen is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
Vergelijking met dakterras op perceel [straatnaam 2] 31 (gelijkheidsbeginsel)
15. Eiser vraagt zich af waarom verweerder bij een bouwplan voor het perceel [straatnaam 2] 31 te [plaatsnaam] negatief heeft beslist op een principeaanvraag voor een afwijkingsvergunning voor een dakterras buiten het bouwvlak, maar bij de bouwplannen voor nummers 19 en 21 het dakterras wel en zonder nadere eisen heeft vergund. Eiser acht de dakterrassen van nummers 19 en 21, net als het aangevraagde dakterras bij de [straatnaam 2] 31, niet ondergeschikt aan de rest van de woning en ook overigens vergelijkbaar met de situatie bij [straatnaam 2] 31.
16. Verweerder en vergunninghouders vinden de situaties niet vergelijkbaar. De positionering van het bouwperceel en de vormgeving van de woning bij [straatnaam 2] 31 zijn anders dan bij de onderhavige bouwplannen. De oppervlakte van het beoogde dakterras bij [straatnaam 2] 31 besloeg meer dan de helft van de oppervlakte van het dak (9 meter versus 17 meter), terwijl die verhouding bij het bouwplan op nummer 19 ongeveer 5 meter versus ongeveer 18 meter is en bij het bouwplan op nummer 21 ongeveer 6,6 meter versus ongeveer 18 meter. Verder was bij de [straatnaam 2] de afstand van het dakterras tot de achterste perceelsgrens kleiner.
17. De rechtbank merkt deze beroepsgrond aan als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de onder 16 vermelde, niet weersproken verschillen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de aangevraagde situatie aan de [straatnaam 2] 3 onvoldoende vergelijkbaar is met de onderhavige bouwplannen om een beroep op het gelijkheidsbeginsel te laten slagen
18. De beroepen van eiser zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.