De rechtbank Limburg behandelde een zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van meermalig seksueel misbruik van zijn minderjarige zoon en dochter over verschillende periodes tussen 2009 en 2022.
De officier van justitie achtte de feiten bewezen op basis van de gedetailleerde verklaringen van de kinderen, aangifte door hun moeder, chatberichten, getuigenverklaringen en rapporten van Centrum Jeugd en Gezin. De verdediging betoogde dat de verklaringen van de kinderen niet door zelfstandig, onafhankelijk bewijs werden ondersteund en wezen op essentiële verschillen tussen de verklaringen.
De rechtbank stelde vast dat hoewel de verklaringen van de kinderen authentiek en betrouwbaar waren en het trauma bij hen paste, er geen onafhankelijk steunbewijs was dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kon bewijzen. Verklaringen van derden waren afgeleid van de kinderen zelf en konden daarom niet als steunbewijs gelden. Ook konden de verklaringen van de kinderen elkaar niet als schakelbewijs ondersteunen vanwege onderlinge verschillen.
Hierdoor kon de rechtbank de tenlastegelegde feiten niet bewezen verklaren en sprak verdachte vrij. De schadevergoedingsvorderingen van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard en zij werden veroordeeld in de proceskosten.