ECLI:NL:RBLIM:2023:1622

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 februari 2023
Publicatiedatum
2 maart 2023
Zaaknummer
C/03/313496 / KG ZA 23-7
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:294 BWArt. 6:52 BWArt. 3:109 BWArt. 3:107 lid 1 BWArt. 3:119 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen retentierecht voor reparateur bij niet-opeisbare vordering en gescheiden reparaties

De zaak betreft een geschil over het retentierecht dat een reparateur inroept op een trekker die eigendom is van eiseres. De reparateur voerde in 2014-2016 reparaties uit voor de vorige eigenaar, waarvoor facturen onbetaald bleven. De trekker werd telkens na reparatie teruggegeven zonder dat betaling had plaatsgevonden. In 2022 werd de trekker opnieuw ter reparatie aangeboden, waarna de reparateur de trekker vasthield met een beroep op het retentierecht wegens openstaande facturen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het retentierecht ten aanzien van de oude facturen is vervallen omdat de trekker na elke reparatie zonder betaling is teruggegeven, waardoor het retentierecht niet kon voortbestaan onder dezelfde rechtsverhouding. De reparaties betroffen afzonderlijke overeenkomsten zonder duurovereenkomst of onderhoudscontract.

Ten aanzien van de nieuwe factuur is het retentierecht niet van toepassing omdat de vordering op het moment van het beroep nog niet opeisbaar was. Daarnaast is vastgesteld dat eiseres de eigenaar is van de trekker, wat wordt ondersteund door houdervermoedens en tenaamstelling bij de RDW. De reparateur wordt veroordeeld om de trekker binnen twee dagen af te geven aan eiseres, onder dreiging van een dwangsom.

Uitkomst: Reparateur moet trekker binnen twee dagen afgeven aan eiseres wegens ontbreken retentierecht.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer: C/03/313496 / KG ZA 23-7
Vonnis in kort geding van 28 februari 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] .,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. R. Bijlsma;
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. W. Meijs.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 t/m 5;
  • de mondelinge behandeling;
  • de pleitnota van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In opdracht van de onderneming naar buitenlands recht [bedrijfsnaam] (verder te noemen: [bedrijfsnaam] ) heeft [gedaagde] in de jaren 2014, 2015 en 2016 reparatiewerkzaamheden uitgevoerd aan een trekker (New Holland T7030, kenteken [kenteken] ). Onbetwist staat vast dat de trekker in die periode eigendom was van [bedrijfsnaam] .
2.2.
De in verband daarmee ten naam van [bedrijfsnaam] opgestelde facturen – zes in totaal – tot een totaalbedrag van € 4.169,16, waarvan de oudste is gedateerd op 30 april 2014 en de jongste op 26 oktober 2016, zijn niet betaald. De bedoelde facturen zullen hierna gezamenlijk ook wel worden aangeduid als “de oude facturen.” [gedaagde] heeft de trekker telkens, nadat de reparatie was uitgevoerd, teruggegeven aan [bedrijfsnaam] zonder dat de op de uitgevoerde werkzaamheden betrekking hebbende factuur was betaald.
2.3.
De betreffende trekker is op 11 november 2022 door [naam] bij [gedaagde] ter reparatie aangeboden. De in verband daarmee verschuldigde factuur van 25 november 2022, die ten naam is gesteld van [bedrijfsnaam] en die € 1.187,30 bedraagt, is niet betaald. Deze factuur zal hierna ook wel worden aangeduid als “de nieuwe factuur.”

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] stelt dat zij de trekker, die volgens haar, sedert 2021 haar eigendom is, op 21 november 2022 ter reparatie heeft aangeboden aan [gedaagde] . Toen zij op 25 november 2022 de trekker, volgens haar overeenkomstig de afspraak met [gedaagde] , wilde ophalen, weigerde [gedaagde] de trekker af te geven met een beroep op het retentierecht. Dat retentierecht vond volgens [gedaagde] haar grond in het feit dat zij nog een vordering had op de vorige eigenaar van de trekker, [bedrijfsnaam] .
3.2.
Volgens [eiseres] staat vast dat [gedaagde] geen vordering op haar heeft en stelt [gedaagde] ook dat zij enkel een opvorderbare vordering heeft op [bedrijfsnaam] .
3.3.
Omdat volgens [eiseres] op grond van de feiten vast staat dat [gedaagde] (jegens [eiseres] ) geen retentierecht toekomt, is [gedaagde] volgens [eiseres] gehouden om de trekker af te geven.
3.4.
Volgens [eiseres] staat vast dat [gedaagde] geen vordering heeft op [eiseres] . Door de trekker niet af te geven schiet [gedaagde] tekort in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst de trekker te repareren. Door de aan [eiseres] in eigendom toebehorende trekker zonder rechtsgrond onder zich te houden, maakt [gedaagde] volgens [eiseres] ongeoorloofd inbreuk op haar eigendomsrecht.
3.5.
[eiseres] vordert op grond van het vorenstaande dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt:
om binnen twee dagen na het wijzen vonnis de trekker New Holland T7030, kenteken [kenteken] aan haar af te geven door deze feitelijk aan [eiseres] over te dragen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat [gedaagde] dit ondanks een verzoek daartoe nalaat;
tot betaling van de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen, en te vermeerderen met de wettelijke rente, indien deze niet binnen veertien dagen na het te wijzen algeheel zijn voldaan.
3.6.
De stellingen en vorderingen van [eiseres] worden door [gedaagde] weersproken. De verweren en betwistingen zullen, voor zover van belang, hieronder worden weergegeven en beoordeeld.

4.De beoordeling

4.1.
Uit de aard van de vordering van [eiseres] volgt een spoedeisend belang, zodat [eiseres] kan worden ontvangen in haar vordering
t Het hh4.2. Kern van het geschil is of [gedaagde] een beroep toekomt op het retentierecht. [gedaagde] doet jegens [eiseres] een beroep op het retentierecht zowel ten aanzien van de oude facturen als ten aanzien van de nieuwe factuur. Ook is nog de vraag opgeworpen of [eiseres] de eigenaar is van de trekker.
4.3.
De voorzieningenrechter zal eerst ingaan op de vraag of [gedaagde] een beroep kan doen op het retentierecht ten aanzien van de oude facturen en daarna op die of [gedaagde] een beroep kan doen op het retentierecht ten aanzien van de nieuwe factuur. Vervolgens komt de eigendomsaanspraak van [eiseres] aan de orde.
Het retentierecht ten aanzien van de oude facturen
4.4.
In het kader van de beantwoording van de vraag of [gedaagde] het retentierecht kan uitoefenen ten aanzien van de oude facturen is het volgende van belang. Onbetwist staat vast dat [gedaagde] de trekker steeds na uitvoering van de opdracht tot reparatie waarop de oude facturen zien, heeft teruggeven aan [bedrijfsnaam] , zonder dat [bedrijfsnaam] de daarop betrekking hebbende factuur had betaald. Met andere woorden: [gedaagde] heeft toen telkens geen aanleiding gezien zich te beroepen op het retentierecht.
4.5.
Artikel 3:294 BW Pro bepaalt dat het retentierecht eindigt doordat de zaak weer in de macht komt van de schuldenaar of de rechthebbende,
tenzij de schuldeiser haar weer uit hoofde van dezelfde rechtsverhouding onder zich krijgt.
4.6.
[gedaagde] erkent in beginsel dat uit dat artikel volgt dat het potentiële retentierecht steeds verviel nadat [gedaagde] de trekker telkens na de reparatie teruggaf zonder dat de daarop betrekking hebbende factuur door [bedrijfsnaam] was betaald, maar stelt dat uit het hiervoor cursief weergegeven gedeelte van artikel 3:294 BW Pro volgt dat het retentierecht als het ware is herleefd (en dus thans ook aan [eiseres] kan worden tegengeworpen), omdat zij de trekker in verband met een opdracht tot reparatie thans weer onder zich heeft.
4.7.
Dat standpunt moet worden verworpen, omdat het geen steun in het recht vindt. Het beweerde retentierecht wordt weliswaar ingeroepen ter zake van zaak waarvan de reparatie steeds de basis was voor de facturen, de in 2.1. genoemde trekker, maar [gedaagde] heeft die zaak niet weer uit hoofde van
dezelfde rechtsverhoudingonder zich, ook wanneer er – conform het standpunt van [gedaagde] - van uit zou worden gegaan dat [bedrijfsnaam] ook de laatste opdracht heeft gegeven. [gedaagde] heeft de trekker onder zich gehad, en zij heeft die trekker thans opnieuw onder zich, op basis van verschillende, op zichzelf staande overeenkomsten tot reparatie, die steeds verschillende, op zich staande, rechtsverhoudingen vormen. Er is niet sprake van reparaties op basis van een onderhoudscontract of een andere duurovereenkomst op basis waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat de reparaties hebben plaatsgevonden op basis van dezelfde rechtsverhouding. Evenmin houden de diverse overeenkomsten tot reparatie verband met elkaar, in die zin dat de opeenvolgende overeenkomsten zijn aangegaan in verband met eerdere niet geslaagde pogingen tot reparatie van de trekker, die zouden kunnen worden aangemerkt als hebbende plaatsgevonden op grond van dezelfde rechtsverhouding. Derhalve kan niet worden gezegd dat [gedaagde] de trekker weer uit hoofde van dezelfde rechtsverhouding onder zich heeft. Dat betekent dat [gedaagde] reeds om die reden geen beroep kan doen op het retentierecht in verband met de oude facturen.
Het retentierecht ten aanzien van de nieuwe factuur
4.8.
Ook ten aanzien van de nieuwe factuur heeft [gedaagde] geen retentierecht. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende.
4.9.
Het retentierecht is een bijzondere vorm van het opschortingsrecht van artikel 6:52 BW Pro. Dat betekent dat, om een beroep te kunnen doen op het retentierecht, de vordering in verband waarmee het retentierecht wordt uitgeoefend opeisbaar moet zijn.
4.10.
[gedaagde] heeft niet betwist dat de betreffende factuur – met als datum 25 november 2022 – niet opeisbaar was op het moment dat [gedaagde] een beroep deed op haar retentierecht, te weten op 25 november 2022. Dat de vordering niet opeisbaar was komt de voorzieningenrechter ook aannemelijk voor. Bij de aanmaningsbrief die [gedaagde] op 17 januari 2018 (productie 8 van [gedaagde] ) aan [bedrijfsnaam] heeft gezonden, is een overzicht gehecht van de nog openstaande oude facturen. Uit dat overzicht volgt dat telkens een betalingstermijn van twee weken na factuurdatum is overeengekomen, zodat ook aannemelijk is dat voor de nieuwe factuur een betalingstermijn gold van twee weken.
4.11.
Omdat uit het vorenstaande volgt dat op het moment dat [gedaagde] haar retentierecht heeft ingeroepen de vordering waarop de nieuwe factuur ziet nog niet opeisbaar was, kan [gedaagde] op die grond al geen beroep kan doen op het retentierecht.
De eigendomsaanspraak van [eiseres]
4.12.
[gedaagde] heeft ter zitting nog betwist dat [eiseres] thans eigenaar van de trekker is, stellende dat [bedrijfsnaam] nog altijd de eigenaar is. De voorzieningenrechter gaat aan dat verweer voorbij als onvoldoende onderbouwd. In dat verband is van belang dat [gedaagde] niet heeft betwist dat [eiseres] – en dus niet [bedrijfsnaam] - de trekker ook in 2021 ter reparatie heeft aangeboden. [eiseres] heeft zich daarmee de houder van de trekker getoond. Uit artikel 3:109 BW Pro volgt dat de houder van een goed vermoed wordt deze voor zichzelf te houden, wat betekent dat hij vermoed wordt bezitter van het goed te zijn (artikel 3:107 lid 1 BW Pro). De bezitter wordt weer vermoed de eigenaar te zijn (artikel 3:119 BW Pro). Daarbij komt dat uit een verklaring van de RDW (productie 3 van [eiseres] ) blijkt dat de trekker te naam van [eiseres] is gesteld. Een tenaamstelling van het voertuig van de RDW is weliswaar geen bewijs van eigendom, maar is volgens de voorzieningenrechter in het licht van het vorenstaande voldoende aanwijzing van de eigendom van [eiseres] .
Slotsom
4.13.
Uit het vorenstaande volgt dat [gedaagde] de trekker aan [eiseres] als eigenaar daarvan moet afgeven en de vordering van [eiseres] , tot aangifte van de trekker aan haar, voor toewijzing gereed ligt.
4.14.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd als na te melden in de beslissing.
4.15.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- kosten dagvaarding € 109,33;
- griffierecht € 676,00;
- salaris advocaat €
1.097,00;
Totaal € 1.882,33.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de trekker New Holland T7030, kenteken [kenteken] aan [eiseres] af te geven door deze feitelijk aan [eiseres] over te dragen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag dat [gedaagde] dit ondanks een verzoek daartoe nalaat, zulks tot een maximum van € 10.000,--;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.882,33, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken. [1]

Voetnoten

1.type: MT