Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[eiseres sub 1] .,
2.
[eiseres sub 2],
1.De procedure
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 november 2022.
2.De feiten
[naam zoon] drijft na de beëindiging van de VOF eveneens een onderneming op het gebied van de makelaardij in onroerende zaken, en wel onder de naam [handelsnaam 2] .
Beide ondernemingen zijn gevestigd in [vestigingsplaats] .
€ 1.579,16 vanwege een niet-betaalde eindafrekening, uitbetaling van niet genoten vakantiedagen en wettelijke verhoging. [eiseres sub 1] heeft verweer gevoerd (en heeft geen vordering in reconventie ingesteld). De rechtbank heeft de vorderingen van [naam 1] toegewezen bij vonnis van 4 mei 2016. De rechtbank overwoog, voor zover hier van belang:
23 januari 2019.
“alle lopende zaken(bij het kantoor van [gedaagde] , rechtbank)
opgezegd.”.
- [gedaagde] de belangen van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] niet naar behoren zou hebben behartigd;
- [gedaagde] onvoldoende informatie zou hebben verschaft aan [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] .
) en de zoon van klaagster sub 2 en P heeft de rechtbank in duidelijke bewoordingen overwogen dat de procedure namens de verkeerde procespartij was ingeleid. Desondanks heeft verweerster in hoger beroep nagelaten om met gebruikmaking van artikel 217 Rv Pro namens klaagster sub 1 te vorderen zich in die procedure te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen. Het had, zeker na de duidelijke overwegingen van de rechtbank dat klaagster sub 1 als procespartij in de procedure had moeten worden betrokken, op de weg van verweerster gelegen om klaagsters niet alleen te informeren over de gemaakte fout, maar ook om deze fout in de procedure in hoger beroep te herstellen. Verweerster volhardde daarentegen in hoger beroep in haar fout, door in grief II te betogen dat klaagster sub 2 als directeur-grootaandeelhouder van klaagster sub 1, die medevennoot van de vof was, partij was in de procedure. Verweerster heeft aldus niet gehandeld zoals van een redelijk handelend advocaat had mogen worden verwacht, wat haar tuchtrechtelijk valt aan te rekenen.
3.Het geschil
4.De beoordeling
Stelplicht en bewijslast rusten conform de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro op [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] .
[eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] hebben hun vorderingen gebaseerd op de advisering omtrent en werkzaamheden die [gedaagde] heeft verricht in verband met de in rov. 2.8 genoemde procedures. Deze zullen hierna afzonderlijk worden behandeld.