ECLI:NL:RBLIM:2023:2156

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 februari 2023
Publicatiedatum
27 maart 2023
Zaaknummer
C/03/308819 / JE RK 22/1526
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens onvoldoende noodzaak

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de rechtbank om een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige vanwege een ernstig bedreigde ontwikkeling, waaronder angst en post-traumatische stressklachten. De GI stelde dat de moeder onvoldoende meewerkt aan noodzakelijke hulpverlening, waardoor uithuisplaatsing noodzakelijk zou zijn.

De moeder betwistte dit en gaf aan open te staan voor hulpverlening en voldoende pedagogische vaardigheden te hebben. De vader stemde in met het verzoek van de GI. De rechtbank constateerde dat de GI zich niet aan eerdere opdrachten had gehouden, terwijl de moeder wel meewerkte aan onderzoeken en begeleiding. De moeder heeft een warme band met de minderjarige en werkt mee aan hulpverlening.

De kinderrechter concludeerde dat niet is komen vast te staan dat uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. De moeder en vader zijn bereid mee te werken aan de noodzakelijke hulpverlening. Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige is afgewezen wegens onvoldoende noodzaak.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/308819 / JE RK 22/1526
Datum uitspraak: 3 februari 2023
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Roermond,
betreffende de minderjarige:
[minderjarige], hierna te noemen: [minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen: de moeder,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. A.S. van Gans, kantoorhoudend in Maastricht,
[de vader], hierna te noemen: de vader,
wonend in [woonplaats] .
Gezien de stukken, waaronder de beschikking van deze rechtbank van 14 oktober 2022.

1.Het verdere procesverloop

1.1
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het evaluatieverslag van de GI van 27 december 2022, ontvangen op
29 december 2022
- de brief met bijlagen van de moeder, ontvangen op 18 januari 2023;
- de aanvullende stukken van de GI, ontvangen op 19 januari 2023.
1.2
De mondelinge behandeling is voortgezet op de zitting van 20 januari 2023, waarbij zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de GI.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De GI handhaaft het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De GI stelt zich op het standpunt dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is. Het diagnostisch onderzoek van [minderjarige] bij het ECLG is afgerond. Uit dat onderzoek blijkt dat er bij [minderjarige] sprake is van een ernstige bedreigde ontwikkeling. [minderjarige] is angstig en kampt met post-traumatische stressklachten. Er is mogelijk sprake van hechtingsproblematiek. [minderjarige] heeft behoefte aan speltherapie en wellicht ook traumatherapie. Er is een systemische benadering nodig in combinatie met ouderschapsreorganisatie. De ouders dienen hun zorg- en opvoedingstaken te herverdelen. De GI heeft onvoldoende vertrouwen dat de voor [minderjarige] noodzakelijke hulpverlening op gang kan komen zolang [minderjarige] nog bij de moeder woont. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat de moeder onvoldoende opvoedvaardigheden heeft, heeft zij de emoties uit de echtscheiding nog onvoldoende verwerkt. Daardoor wordt [minderjarige] belast. [minderjarige] is op zijn hoede bij de moeder en deelt weinig met haar. De moeder is terughoudend in het toelaten en accepteren van hulpverlening. Zij voelt zich bekeken en onveilig. Het lukt de moeder niet om de hulpverlening voor [minderjarige] te accepteren. Zij heeft in de afgelopen jaren onvoldoende meegewerkt om de ontwikkelingsbedreiging op te heffen. Zo heeft zij jarenlang medewerking geweigerd aan het door de school gewenste onderzoek bij het ECLG. De GI heeft geen vertrouwen dat de moeder in de toekomst wel goed zal meewerken. Een machtiging tot uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk om [minderjarige] de hulp te bieden die hij nodig heeft.
2.2.
De moeder stelt zich op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. Volgens de moeder is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet noodzakelijk. De GI geeft aan dat de moeder een warme band met [minderjarige] heeft en dat niet kan worden vastgesteld dat de moeder onvoldoende pedagogische capaciteiten heeft, maar acht een uithuisplaatsing toch noodzakelijk. Ook wordt er gesteld dat de moeder niet wil meewerken aan de voor [minderjarige] noodzakelijke hulpverlening, terwijl op dit moment nog niet eens duidelijk is welke hulp nodig is en dus ook niet vaststaat dat de moeder daaraan niet gaat meewerken. De GI neemt een ambivalent standpunt in en lijkt te zoeken naar redenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen. De moeder erkent de zorgen om [minderjarige] en staat open voor hulpverlening. Zij heeft in de afgelopen periode laten zien dat zij wil en kan meewerken. Een uithuisplaatsing van [minderjarige] is daarom niet noodzakelijk. Bovendien staat op dit moment niet vast dat de vader voldoende opvoedcapaciteiten heeft om voor [minderjarige] te zorgen.
2.3.
De vader stemt in met het verzoek. Hij vindt het belangrijk dat [minderjarige] de hulp krijgt die hij nodig heeft en dat [minderjarige] zich goed kan ontwikkelen. De vader is goed in staat voor [minderjarige] te zorgen. Hij wil zo weinig mogelijk contact met de moeder. Hij hoopt dat hij in de toekomst kan deelnemen aan een hulpverleningstraject om de communicatie met de moeder te verbeteren. Dat is echter moeilijk voor de vader, omdat er veel is gebeurd in het verleden.
2.4.
Zoals al in voormelde beschikking van 14 oktober 2022 is overwogen, kan de kinderrechter de GI die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Dit is bepaald in artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW).
In de beschikking van 14 oktober 2022 is de beslissing op het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader aangehouden, omdat op dat moment niet vaststond of een uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk was in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Van de moeder werd verwacht dat zij haar volledige medewerking zou verlenen aan het diagnostisch onderzoek van ECLG en, voor zover de GI dat noodzakelijk zou achten, aan een onderzoek naar haar opvoedingsvaardigheden. De GI diende schriftelijk duidelijk te maken wat van de moeder zou worden verwacht.
Geconstateerd moet worden dat de GI zich niet aan de opgelegde opdracht van de kinderrechter heeft gehouden, terwijl de moeder dat wel heeft gedaan. De door de GI noodzakelijke geachte begeleiding voor de moeder van anaCare is pas weken na de beschikking opgestart, waardoor deze nu pas enkele weken loopt. Het verslag van anaCare is zelfs pas de dag voor de zitting ingediend. Door de moeder is onweersproken gesteld dat de GI geen overzicht heeft opgemaakt, van de dagen en tijden waarop anaCare bij haar langs zou komen, terwijl hier in de beschikking van 14 oktober 2022 nadrukkelijk op is gewezen. Tegelijkertijd verwijt de GI de moeder echter wel dat zij één week (in de week van Sinterklaas) niet beschikbaar was voor anaCare. Die kritiek acht de kinderrechter niet passend. Het had juist op de weg van de GI gelegen om een duidelijk overzicht van de geplande data op te maken, zoals ook is overwogen in de beschikking. Daarnaast is door de moeder onweersproken gesteld dat de GI de moeder niet heeft geholpen met het formuleren van een concrete hulpvraag, terwijl ook die opdracht nadrukkelijk aan de GI was gegeven. Ook dat had wel op de weg van de GI gelegen, zeker omdat de GI tijdens de zitting meerdere keren heeft erkend dat de moeder wel een hulpvraag heeft.
De GI stelt zich op het standpunt dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is, omdat - kort gezegd - de moeder niet meewerkt aan de voor [minderjarige] noodzakelijke hulpverlening. Daar gaat de kinderrechter echter niet in mee. In voormelde beschikking is al overwogen dat er aan de zijde van de moeder sprake is van een positieve ontwikkeling. De moeder heeft hulp gekregen van een psycholoog en het gaat inmiddels een stuk beter met haar. De moeder is haar toezegging om mee te werken aan het onderzoek bij ECLG nagekomen en heeft haar volledige medewerking verleend aan dit onderzoek. Ook heeft zij haar medewerking verleend aan de begeleiding door anaCare. De moeder erkent de zorgen over [minderjarige] die uit het ECLG rapport blijken en heeft op de zitting meermalen benadrukt open te staan voor de voor [minderjarige] noodzakelijke hulpverlening. Ook staat zij (al geruime tijd) open voor de volgens de GI noodzakelijke ouderschapsreorganisatie, terwijl de vader hierover juist een ambivalent standpunt inneemt.
In voormelde beschikking is overwogen dat volgens de GI onduidelijk is of de moeder voldoende pedagogische vaardigheden heeft. Op de zitting heeft de GI nu verklaard dat niet vaststaat dat de moeder onvoldoende pedagogische vaardigheden heeft. Daaruit volgt naar het oordeel van de kinderrechter dat de moeder klaarblijkelijk in ieder geval voldoende basale opvoedcapaciteiten heeft om voor [minderjarige] te zorgen. Voor zover de GI nog zorgen heeft over de opvoedvaardigheden van de moeder, had het op de weg van de GI gelegen om de moeder te ondersteunen bij het formuleren van hulpvragen voor anaCare en zo nodig andere, passende opvoedondersteuning in te zetten. Dat is echter niet gebeurd.
Alles overwegend is de kinderrechter van oordeel dat niet vast is komen te staan dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment noodzakelijk is. De moeder werkt mee aan de voor [minderjarige] noodzakelijke hulpverlening en dat heeft zij in de afgelopen periode ook steeds gedaan. De moeder heeft voldoende pedagogische vaardigheden en zij heeft, zo is door de GI nadrukkelijk bevestigd, een warme band met [minderjarige] . Hoewel er bij [minderjarige] sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling, maakt dat niet dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is. De moeder is immers, net als de vader, bereid om mee te werken aan de hulpverlening voor [minderjarige] . De kinderrechter gaat ervan uit dat de beide ouders de door de GI noodzakelijke geachte hulpverlening zullen (blijven) accepteren en daaraan hun volledige medewerking zullen verlenen, zonder daarvoor voorwaarden te stellen. De GI dient in dit kader (schriftelijk) duidelijk te maken wat van de ouders wordt verwacht en aan welke afspraken zij zich moeten houden. Op die manier kan de ontwikkeling van [minderjarige] ten goede worden gekeerd. Daarvoor is een machtiging tot uithuisplaatsing echter niet noodzakelijk.
De kinderrechter zal het verzoek daarom afwijzen.

3.De beslissing

De kinderrechter:
wijst het verzoek van de GI af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Verhey, als griffier en in het openbaar uitgesproken op
3 februari 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.