Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of het dagelijks bestuur eiseres terecht een waarschuwing heeft opgelegd vanwege schending van de inlichtingenplicht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Eiseres voert in beroep – samengevat – aan dat haar ten onrechte een waarschuwing is gegeven wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiseres heeft haar oude auto, een Seat Arosa, geruild voor een Opel Corsa. Omdat de auto’s dezelfde waarde hebben en haar vermogen daardoor niet wijzigt, heeft zij de aanschaf van de Opel Corsa niet bij het dagelijks bestuur hoeven melden. Het dagelijks bestuur had ook eerst kunnen toetsen of eiseres de aanschaf van de auto had moeten melden, aangezien niet iedere aanschaf een meldplicht kent
6. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat het eiseres redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de aankoop en het op naam zetten van een auto van invloed kan zijn op het recht op bijstand, zodat zij daarvan onverwijld melding had moeten doen bij het dagelijks bestuur. De leeftijd van de auto en de omstandigheid dat de gestelde waarvan van de auto de grens van het vrij te laten vermogen niet te boven gaat, doen daar niet aan af.
Is de inlichtingenplicht geschonden?
7. Het betoog van eiseres dat de inlichtingenplicht in dit geval niet is geschonden, omdat de aanschafwaarde van de Opel Corsa overeenkomt met de verkoopopbrengst/inruilwaarde van de Seat Arosa en dus niet van invloed is op haar vermogen, slaagt.
8. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw doen de belanghebbenden aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
9. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw, voor zover hier van belang, wordt onder vermogen verstaan: de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. Dit ziet, gelet op artikel 11, eerste lid, van de Pw, op het vermogen als middel waarover de betrokkene kan beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
10. Op dit uitgangspunt zijn uitzonderingen van toepassing. Zo is in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw bepaald dat niet als vermogen wordt aangemerkt: bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn, dan wel gelet op de omstandigheden van persoon en gezin noodzakelijk zijn. Indien de betrokkene toch overgaat tot de verkoop van een bezitting als bedoeld in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw (vrijgelaten bezitting) valt de opbrengst van die verkoop niet onder de uitzonderingsbepaling.
11. De uitzonderingsbepaling ziet op – naar aard en waarde – algemeen gebruikelijke, dan wel in het specifieke geval noodzakelijke, gebruiksgoederen. Dit rechtvaardigt het vermoeden dat een dergelijk gebruiksgoed, na verkoop ervan, wordt vervangen, dan wel dat met de verkoopopbrengst een ander, soortgelijk, gebruiksgoed wordt aangeschaft (vervangingsvermoeden). In beginsel moet het er daarom voor worden gehouden dat de verkoopopbrengst van een vrijgelaten bezitting voor de betrokkene niet beschikbaar is om in andere noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Als uitgangspunt heeft dus te gelden dat de verkoopopbrengst van een vrijgelaten bezitting niet is aan te merken als een bezitting waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken in de hiervoor bedoelde zin.
12. Gelet op het vervangingsvermoeden en de hiervoor beschreven gevolgen daarvan, moet het er verder voor worden gehouden dat het de betrokkene die een vrijgelaten goed verkoopt redelijkerwijs niet zonder meer duidelijk kan zijn dat de opbrengst daarvan van invloed kan zijn op het recht op bijstand. De betrokkene is daarom niet ingevolge de op haar rustende inlichtingenverplichting gehouden uit eigen beweging een dergelijke verkoop bij het dagelijks bestuur te melden.
13. De omstandigheid dat in dit geval onbetwist is dat de aanschafwaarde van de
Opel Corsa overeenkomt met de verkoopopbrengst/inruilwaarde van de Seat Arosa en dus niet van invloed is op het vermogen van eiseres, maakt dat sprake is van een vervangingsvermoeden en dus de vaste rechtspraak over de aankoop van een auto – in dit geval – niet van toepassing is. Een algemeen gebruikelijk gebruiksgoed, in dit geval een auto, wordt na verkoop (met gesloten beurzen) vervangen door eenzelfde gebruiksgoed. Vanwege het vervangingsvermoeden was eiseres daarom in beginsel niet verplicht deze aankoop uit eigen beweging te melden. Dat het dagelijks bestuur naar aanleiding van deze aankoop een onderzoek heeft ingesteld, maakt weliswaar dat eiseres verplicht was de gevraagde inlichtingen te verstrekken, maar niet dat zij ingevolge de op haar rustende inlichtingenverplichting gehouden was uit eigen beweging de aankoop van de auto bij het dagelijks bestuur te melden.
14. Gelet op voornoemde specifieke omstandigheden is in dit geval bij de aankoop van de auto daarom geen sprake van schending van de inlichtingenplicht en kan het bestreden besluit geen stand houden.