Eisers zijn sinds 2019 eigenaar van een woning met een aangrenzend perceel dat door gedaagde wordt beheerd. Zij gebruiken sinds de jaren 80 een deel van het perceel als tuin en stellen door verkrijgende verjaring een recht van erfdienstbaarheid te hebben verkregen. Gedaagde plaatste in 2020 een betonnen muur en in 2022 een hekwerk, waardoor eisers de tuin niet meer kunnen bereiken.
Eisers vorderen in een incident een voorlopige voorziening om het hekwerk te verwijderen en het gebruik van de tuin te verbieden totdat de bodemrechter uitspraak doet. Gedaagde betwist dit en voert aan dat er geen spoedeisend belang is.
De rechtbank overweegt dat voor een voorlopige voorziening een spoedeisend belang vereist is dat niet kan worden afgewacht tot de hoofdzaak. De rechtbank oordeelt dat het recreatieve gebruik van de tuin niet zodanig ernstig wordt belemmerd dat de uitkomst van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Ook is niet gesteld dat een deel van de hoofdvordering al toewijsbaar is.
Daarom wijst de rechtbank de vordering in het incident af en veroordeelt eisers in de proceskosten. De hoofdzaak wordt aangehouden en zal op een later moment worden voortgezet.