Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
in concretoop neer dat de rechtbank niet alleen moet bepalen of de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar is, maar ook moet beoordelen of voor die verklaring voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.
Door de verdediging is aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer] onbetrouwbaar zijn en niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
- € 46,68 aan reiskosten (€ 12.48 + € 34,20);
- € 69,98 aan kledingstukken;
- € 2.314, - aan studievertraging.
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 119 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 1.116,66 , te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 2 maart 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 116,66 aan materiële schadevergoeding en € 1.000,00 immateriële schadevergoeding;
- wijst de vordering ten aanzien van het meergevorderde aan immateriële schadevergoeding af;
- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor het meergevorderde aan materiële schadevergoeding;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van € 1.116,66 , te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 2 maart 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 21 dagen. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.