In deze zaak werd een verzoek tot wraking ingediend tegen een rechter in een civielrechtelijke procedure over schadevergoeding voor onteigening. Verzoekers stelden dat de rechter vooringenomen was vanwege het ongemotiveerd afwijzen van een eenstemmig uitstelverzoek, wat volgens hen onbegrijpelijk was en wijst op partijdigheid.
De rechter erkende een fout bij de afwijzing van het tweede uitstelverzoek, maar corrigeerde deze direct door het uitstel alsnog toe te kennen en dit te laten verwerken in het roljournaal. De wrakingskamer oordeelde dat procesbeslissingen zoals deze niet zonder meer grond voor wraking kunnen zijn, tenzij zij een zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid vormen.
De wrakingskamer liet feiten die te laat waren aangevoerd buiten beschouwing en concludeerde dat de fout van de rechter, hoewel mogelijk klachtwaardig vanwege gebrekkige communicatie met advocaten, geen aanleiding gaf tot de schijn van vooringenomenheid. Het verzoek tot wraking werd daarom ongegrond verklaard.
De beslissing werd genomen door een meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Limburg en op 1 mei 2023 in het openbaar uitgesproken.