Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2023:3434

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
30 mei 2023
Publicatiedatum
8 juni 2023
Zaaknummer
03.165421.22
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVWArt. 6 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor verdachte in zaak dodelijk verkeersongeval op A73

Op 23 april 2021 vond op de A73 bij Venlo een tragisch verkeersongeval plaats waarbij het slachtoffer, bestuurder van een Suzuki, overleed na een botsing met een vrachtwagen van de verdachte en een andere personenauto (Ford).

De rechtbank onderzocht of het ongeval aan schuld van de verdachte toe te rekenen was, primair op grond van artikel 6 WVW Pro (schuld aan dodelijk ongeval) en subsidiair artikel 5 WVW Pro (gevaar op de weg). De verdachte reed met 90 km/u waar 80 km/u was toegestaan, maar het dossier bood onvoldoende duidelijkheid over het rijgedrag van de Suzuki voorafgaand aan het ongeval.

De rechtbank oordeelde dat de snelheidsovertreding op zichzelf geen verwijtbare onvoorzichtigheid opleverde en dat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte het ongeval had veroorzaakt. Ook het subsidiaire feit van gevaar op de weg werd niet bewezen geacht, mede door onzekerheden in de verkeersanalyse en verklaringen.

De verdachte werd daarom integraal vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt integraal vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van schuld of gevaarzetting ondanks snelheidsovertreding.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.165421.22
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 mei 2023
in de strafzaak tegen
[Verdachte],
geboren te [Geboortedatum] 1990,
wonende te [Adres].
De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat kantoorhoudende te Tilburg.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 mei 2023. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte
met zijn trekker (vrachtauto) met oplegger een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft veroorzaakt waardoor een andere weggebruiker is overleden, dan wel dat de verdachte met zijn trekker met oplegger gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primaire feit (artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994: hierna WVW) en bewezenverklaring van het subsidiaire feit (artikel 5 WVW Pro). In het bijzonder heeft zij aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld wanneer en hoe de auto van het slachtoffer (een Suzuki) op dezelfde rijbaan vóór de vrachtwagen van de verdachte terecht is gekomen. Hierdoor kan het ongeval ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden niet in redelijkheid worden toegerekend aan het verwijtbare rijgedrag van de verdachte – dat heeft bestaan uit het rijden met een te hoge snelheid en het onvoldoende anticiperen op de auto die vóór de auto van het slachtoffer reed (een Ford). Omdat uit het strafdossier wel kan worden afgeleid dat de verdachte met zijn rijgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt ten aanzien van de Ford, acht de officier van justitie de verdachte wel schuldig aan overtreding van artikel 5 WVW Pro.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Over het subsidiaire feit heeft de raadsman aangevoerd dat de berekening, inhoudende dat de verdachte zonder de aanrijding met de Suzuki de Ford zou hebben geraakt, geen stand kan houden. De berekening gaat uit van een stilstaande Ford terwijl de bestuurster van die auto heeft verklaard circa 60 kilometer per uur te hebben gereden, hetgeen overeenkomt met de situatie waarover de verdachte heeft verklaard. Ook heeft de bestuurster van de Ford verklaard dat de afstand tussen haar en de vrachtauto van verdachte voor haar gevoel groot genoeg was, kort voordat zij voelde dat haar auto geraakt werd. De verdachte kan aldus geen verwijt worden gemaakt.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Op 23 april 2021 vond op de A73 ter hoogte van Venlo in de middag een tragisch ongeval plaats tussen een vrachtauto (DAF) met oplegger en twee personenauto’s (een Suzuki en een Ford) ten gevolge waarvan [Slachtoffer] is overleden. Het slachtoffer [Slachtoffer] was de bestuurster van de Suzuki en de verdachte was de bestuurder van de DAF.
Ter zitting is gebleken dat het verkeersongeval grote impact heeft gehad - en nog steeds heeft - op de nabestaanden van het slachtoffer en dat ook verdachte zich bewust is van deze impact. De rechtbank dient zich te buigen over de vraag hoe dit ongeval juridisch moet worden gekwalificeerd en of de verdachte daarin een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Aan de hand van het strafdossier stelt de rechtbank vast dat de verdachte reed op de rechterrijstrook van de A73, met een snelheid van 90 kilometer per uur terwijl voor hem als vrachtwagenbestuurder op die weg slechts 80 kilometer per uur was toegestaan. Toen op enig moment de doorstroming van het verkeer vóór de verdachte verminderde, kwam de verdachte op zijn rijstrook met 89 kilometer per uur in botsing met de Suzuki van het slachtoffer waarna die Suzuki tegen de voorligger – de Ford – tot stilstand kwam. Vaststaat dat het slachtoffer is overleden ten gevolge van de opgelopen verwondingen bij het verkeersongeval.
Primair (artikel 6 WVW Pro)
Aan de verdachte wordt primair verweten dat het verkeersongeval met dodelijke afloop aan zijn schuld te wijten is. Bij de vraag of sprake is van 'schuld' in de zin van artikel 6 WVW Pro komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het strafdossier geen duidelijkheid biedt over de vraag of de Suzuki van het slachtoffer voor het ongeval al (enige tijd) vóór de DAF op de betreffende rijbaan reed, of dat deze pas (heel) kort daarvoor hier was komen rijden en in dat laatste geval waar de Suzuki dan vandaan kwam. De Suzuki is noch door de verdachte noch door de getuigen waargenomen, in het bijzonder ook niet door de bestuurster van de Ford die van achteren door de Suzuki werd aangereden. Zij heeft verklaard dat zij vlak voor het ongeval vrij zicht had op de weg achter haar, alwaar zij wel de DAF heeft zien rijden, maar niet de Suzuki. De rechtbank kan derhalve onvoldoende vaststellen of de verdachte in redelijkheid in staat moet zijn geweest te anticiperen op de Suzuki. Wel kan worden vastgesteld dat de verdachte een verkeersfout heeft begaan door de aldaar toegestane maximumsnelheid te overschrijden. De rechtbank concludeert echter dat deze fout in dit geval geen schuld oplevert in de zin van artikel 6 WVW Pro omdat de enkele snelheidsovertreding in deze situatie geen verwijtbare onvoorzichtigheid in de zin van voornoemd artikel oplevert. De verdachte zal worden vrijgesproken van het primaire feit.
Subsidiair (artikel 5 WVW Pro)
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank evenmin sprake van gevaarzettend gedrag van de verdachte in de zin van artikel 5 WVW Pro, waardoor ook hier vrijspraak moet volgen.
De rechtbank stelt voorop dat ‘gevaar’ in de zin van dit artikel wil zeggen dat er door het rijgedrag van verdachte een reële kans op een ongeval moet zijn veroorzaakt. Volgens vaste jurisprudentie is het maken van een enkele verkeersfout niet per definitie voldoende. In de onderhavige zaak staat vast dat de DAF tegen de Suzuki is aangereden en dat er dus daadwerkelijk een ongeval heeft plaatsgevonden. Zoals hierboven al is overwogen kan de rechtbank echter niet vaststellen dat de aanrijding met de Suzuki is veroorzaakt door het rijgedrag van de verdachte. Daar komt bij dat een overschrijding van de maximale snelheid van 80 kilometer per uur met ongeveer 10 kilometer per uur in dit geval onvoldoende is om te kunnen spreken van gevaarzettend gedrag. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat
door het rijgedrag van de verdachteeen reële kans op een ongeval met de Suzuki is ontstaan.
Ten aanzien van de bij de aanrijding betrokken Ford heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit een berekening van de remafstand in het kader van de VerkeersOngevallenAnalyse (hierna: VOA) blijkt dat de verdachte met de DAF, ingeval geen botsing had plaatsgevonden met de Suzuki, wel tegen de Ford zou zijn gebotst met een snelheid van ongeveer 67 kilometer per uur. Deze botsing zou in dat geval veroorzaakt zijn door verwijtbaar verkeersgedrag van de verdachte, bestaande uit het overschrijden van de maximumsnelheid en het niet tijdig anticiperen op die Ford, omdat de verdachte heeft verklaard dat hij de Ford wel heeft waargenomen.
De rechtbank constateert dat het hier gaat om een hypothetische situatie. In de VOA is berekend dat de verdachte met de DAF, gegeven de bekende omstandigheden, een remweg van ongeveer 57 meter benodigde om tot stilstand te komen. Omdat de Ford zich op dat moment vermoedelijk op 37 meter afstand bevond van de DAF, zou een botsing volgens de VOA onvermijdelijk zijn geweest. De VOA merkt hierbij echter op dat het snelheidsverschil tussen de DAF en de Ford afhankelijk zou zijn geweest van de snelheid van de Ford. De rechtbank leidt hieruit af dat de snelheid van de Ford mogelijk zou hebben doorgewerkt op het gestelde gevaar.
Met het gemaakte voorbehoud in de VOA en de verklaringen uit het strafdossier kan de rechtbank ook ten aanzien van de Ford niet komen tot een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘gevaar’. Immers, uit de verklaring van de verdachte – die ondersteund wordt door de gegevens van de tachograaf – en de verklaring van de bestuurster van de Ford, is af te leiden dat de Ford na de verkeersstremming weer snelheid maakte en ongeveer 60 kilometer per uur reed. Nu deze omstandigheden niet terugkomen in de berekening van de VOA, kan de rechtbank niet met zekerheid concluderen dat door het rijgedrag van de verdachte een reële kans bestond op een ongeval tussen de DAF en de Ford, als geen botsing met de Suzuki had plaatsgevonden. De enkele snelheidsovertreding van de verdachte is hiertoe onvoldoende, hetgeen eveneens geldt met betrekking tot het veroorzaken van verkeershinder.
De rechtbank zal de verdachte integraal vrijspreken.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de verdachte integraal vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. G.H. Hermanides, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Dijkhoff, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 mei 2023.BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
primair
hij op of omstreeks 23 april 2021 in de gemeente Venlo als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmede rijdende over de weg, Rijksweg A73, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander, te weten: [Slachtoffer], werd gedood, welke gedragingen zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, een voor hem op die Rijksweg A73 in dezelfde riching rijdende personenauto, met als bestuurder voornoemde [Slachtoffer], van achter is genaderd en (daarbij) heeft gereden met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans een hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een voor de verkeersituatie ter plaatse te hoge snelheid en/of (daarbij) niet, althans onvoldoende, heeft gelet op de weg vóór hem en/of op mogelijke weggebruikers op die weg vóór hem en/of niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor althans mede waardoor een botsing en/of aanrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en voornoemde personenauto, ten gevolge waarvan die personenauto tegen een andere personenauto is gebotst/aangereden;
subsidiair:
hij op of omstreeks 23 april 2021 in de gemeente Venlo als bestuurder van een voertuig (trekker met oplegger), daarmee rijdende op de weg, Rijksweg A73, een voor hem op die Rijksweg A73 in dezelfde riching rijdende personenauto van achteren is genaderd en (daarbij) heeft gereden met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans een hogere snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een voor de verkeersituatie ter plaatse te hoge snelheid en/of (daarbij) niet, althans onvoldoende, heeft gelet op de weg vóór hem en/of op mogelijke weggebruikers op die weg vóór hem en/of niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor althans mede waardoor een botsing en/of aanrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en voornoemde personenauto, ten gevolge waarvan die personenauto tegen een andere personenauto is gebotst/aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.