ECLI:NL:RBLIM:2023:3560
Rechtbank Limburg
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van geslachtsnaamswijziging minderjarige na strafrechtelijke veroordeling vader
De zaak betreft een beroep van de vader tegen het besluit van de minister voor Rechtsbescherming om de geslachtsnaam van zijn minderjarige zoon te wijzigen op verzoek van de moeder. De minister had de aanvraag toegewezen vanwege een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van de vader voor een misdrijf tegen de moeder.
De rechtbank oordeelt dat de minister bevoegd was op grond van artikel 6, onder a, van het Besluit geslachtsnaamswijziging en dat deze bevoegdheid niet ter discussie staat. De vader stelde dat de belangenafweging onzorgvuldig was, maar de rechtbank vindt dat de minister de belangen van de zoon en de gezinssituatie zorgvuldig heeft onderzocht en afgewogen.
De rechtbank benadrukt dat de beslissing gebaseerd is op de feitelijke situatie van het kind en dat er geen waarde- of juridisch oordeel is gegeven over de omgangsregeling of de verstandhouding tussen de ouders. Het verzoek van de moeder om proceskosten te verhalen wordt afgewezen wegens het ontbreken van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de geslachtsnaamswijziging. De vader krijgt het griffierecht niet terug en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vader tegen de geslachtsnaamswijziging van zijn zoon wordt ongegrond verklaard.