Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De overeenkomst inzake de procesafspraken over de afdoening van de strafzaak
4.De beoordeling van het bewijs
- het proces-verbaal van bevindingen op de pagina’s 15 en 16;
- het proces-verbaal van bevindingen op pagina 22;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] op pagina 58;
- de medische verklaring met betrekking tot [slachtoffer 1] op pagina 61;
- het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] op pagina 63;
- het proces-verbaal van bevindingen op pagina 15;
- het proces-verbaal van bevindingen op pagina 22;
- het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 2] op pagina 55.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De straf
8.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
- de officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering en de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 737,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- de verdachte heeft ingestemd met de betaling hiervan;
- het openbaar ministerie de benadeelde partij heeft geïnformeerd over de inhoud van het afdoeningsvoorstel en de benadeelde partij het openbaar ministerie heeft laten weten hiermee te kunnen instemmen;
9.De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling
10.De wettelijke voorschriften
11.De beslissing
- verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf van 17 dagen;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ten aanzien van feit 1 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 737,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 14 januari 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte ten aanzien van feit 1 de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 1] , van € 737,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 14 januari 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op 14 dagen en verstaat dat de toepassing van gijzeling, de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;