ECLI:NL:RBLIM:2023:3678
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Terugvordering onverschuldigde WIA-uitkering wegens te hoge betaling
Eiser ontving sinds 2016 een WIA-uitkering die na herbeoordeling in 2018 werd aangepast naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, met een overeenkomstige lagere uitkering. Het UWV ontdekte in 2021 dat eiser te veel uitkering had ontvangen over de periode van juni 2018 tot juli 2021 en vorderde ruim €15.000 terug.
Eiser betwist de terugvordering en stelt dat hij niet duidelijk was geïnformeerd, dat de fout bij het UWV ligt en dat hij onevenredige financiële en sociale nadelen heeft ondervonden, waaronder het afsluiten van een lening en extra kosten voor belastingaangiften. Hij beroept zich op dringende redenen om af te zien van terugvordering, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat eiser redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving, gezien de informatie van het UWV en de uitbetalingen. Dringende redenen om af te zien van terugvordering zijn niet aannemelijk gemaakt. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de aangehaalde vergelijkbare zaken substantieel verschillen. Het evenredigheidsbeginsel biedt geen ruimte vanwege de dwingendrechtelijke aard van de Wet WIA.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelt eiser in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter A.M.L.E. Ides Peeters op 21 juni 2023.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de terugvordering van €14.704,85 en verklaart het beroep ongegrond.