Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 793,00
Rechtbank Limburg
Werknemer was sinds februari 2022 in dienst bij werkgever als opperman-stratenmaker. Na een incident en val op het werk meldde werknemer zich ziek en bezocht de huisarts met toestemming van werkgever. Desondanks werd werknemer op 10 maart 2023 op staande voet ontslagen wegens vermeende werkweigering en herhaaldelijk te laat komen.
De rechtbank oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was. De telefonische melding van werknemer over het huisartsbezoek had als ziekmelding moeten worden beschouwd, zeker gezien het vervolgbericht over spoedeisende hulp. Werkweigering was daardoor niet aannemelijk. Het herhaaldelijk te laat komen was onvoldoende ernstig om ontslag op staande voet te rechtvaardigen, mede omdat werkgever pas in oktober 2022 schriftelijk had gewaarschuwd.
De arbeidsovereenkomst had met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn beëindigd moeten worden. Werkgever is daarom veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, transitievergoeding, billijke vergoeding en een correcte eindafrekening. De billijke vergoeding is vastgesteld op €6.100 bruto als signaal aan werkgever. Tevens is werkgever veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig; werkgever veroordeeld tot betaling van vergoeding, transitievergoeding, billijke vergoeding en eindafrekening.