Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
verwerende partij.
Rechtbank Limburg
De ex-werknemer verzocht om een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 sub c BW Pro, stellende dat de opzegging van haar arbeidsovereenkomst het gevolg was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever VieCuri. Zij stelde dat de werkdruk te hoog was en dat de werkgever onvoldoende zorg had gedragen voor de arbeidsomstandigheden, wat leidde tot haar arbeidsongeschiktheid. Tevens werd aangevoerd dat VieCuri haar re-integratieverplichtingen ernstig had veronachtzaamd.
De kantonrechter oordeelde dat de drempel voor ernstig verwijtbaar handelen hoog is en slechts in uitzonderlijke gevallen wordt overschreden. Uit het dossier en de overgelegde medische stukken bleek niet eenduidig dat de arbeidsongeschiktheid het gevolg was van werkdruk of onvoldoende zorg van de werkgever. Hoewel de werkgever meer had kunnen doen in het doorvragen en opvolgen, had ook de werknemer een proactievere houding moeten aannemen.
Ten aanzien van de re-integratieverplichtingen stelde de kantonrechter vast dat het UWV geen tekortkomingen had geconstateerd en dat de door de werknemer aangevoerde argumenten onvoldoende concreet waren onderbouwd. Het arbeidsdeskundig rapport bevestigde dat er weliswaar steken waren laten vallen, maar dat daardoor geen re-integratiekansen waren gemist.
De kantonrechter concludeerde dat niet was komen vast te staan dat de opzegging het gevolg was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van VieCuri, zodat het verzoek om een billijke vergoeding werd afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het verzoek om een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever wordt afgewezen.