Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[eiser sub 1] ,
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
1.442,00(2,0 punten × tarief € 721,00)
Rechtbank Limburg
De zaak betreft de uitleg van het begrip 'winstdeel' in een vaststellingsovereenkomst tussen een orthopedisch chirurg en de coöperatie COTW. De medisch specialist beëindigde zijn samenwerking per 1 maart 2019, waarbij het winstdeel tot 1 november 2018 moest worden vastgesteld. De kern van het geschil was of het winstdeel ook de post onderhanden werk, bestaande uit openstaande DBC's, moest omvatten.
De medisch specialist stelde dat de winst inclusief onderhanden werk naar rato van tien maanden moest worden berekend, terwijl COTW stelde dat onderhanden werk niet meetelde omdat het toekomstige omzet betreft. De rechtbank paste het Haviltex-criterium toe en oordeelde dat het begrip 'winstdeel' overeenkomstig de gebruikelijke praktijk moest worden uitgelegd, waarbij de definitieve jaarrekening inclusief onderhanden werk leidend is.
De rechtbank bepaalde dat 25% van de winst uit de definitieve jaarrekening over 2018, gecorrigeerd voor tien van de twaalf maanden, het juiste bedrag was. Na verrekening van reeds ontvangen voorschotten resteerde een bedrag van € 25.288,20 dat aan de medisch specialist moest worden betaald. De vordering werd voor dat bedrag toegewezen, de rest afgewezen. Tevens werd COTW veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: COTW moet € 25.288,20 betalen aan eiser als winstdeel over de periode tot 1 november 2018.