ECLI:NL:RBLIM:2023:5651

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 september 2023
Publicatiedatum
22 september 2023
Zaaknummer
10505235 \ CV EXPL 23-2021
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119a BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering schadevergoeding en incassokosten wegens beschadigde huur Alp Lift

De zaak betreft een geschil over de huur van een Alp Lift 350 kg tussen een BV en een natuurlijke persoon. De huurder had de lift geretourneerd nadat hij had gemeld dat deze gestolen was, maar de lift was zwaar beschadigd, met roestvlekken en inwerking van een bijtend zuur. De verhuurder vorderde vergoeding van de schade en incassokosten.

De huurder erkende aansprakelijkheid maar betwistte de hoogte van de schadevergoeding, stellende dat er sprake was van 'oud voor nieuw'. De kantonrechter oordeelde dat de schadevergoeding moest worden vastgesteld op basis van de marktwaarde van de lift ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst, rekening houdend met ouderdom en staat van onderhoud. Omdat de verhuurder niet kon aangeven wanneer de lift was aangeschaft, werd de schade geschat op € 2.100.

De gevorderde contractuele rente van 24% werd vernietigd vanwege het consumentenbeding en het arrest Heesakkers/Voets. Ook de handelsrente werd afgewezen omdat de huurder niet handelt in de zin van art. 6:119a BW. Incassokosten werden deels toegewezen, beperkt tot € 375, vanwege het versturen van een ingebrekestelling conform art. 6:96 lid 4 BW Pro.

De huurder werd veroordeeld tot betaling van € 2.475, bestaande uit schadevergoeding en incassokosten, en tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 2.475 aan schadevergoeding en incassokosten en de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10505235 \ CV EXPL 23-2021
Vonnis van de kantonrechter van 20 september 2023
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,
tegen:
[gedaagde],
wonend [adres] ,
[woonplaats] ,
gedaagde partij,
procederende in persoon.
Partijen worden hierna ook respectievelijk ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het (mondeling) antwoord van gedaagde partij
- de mondelinge behandeling, die plaatsvond op 12 september 2023
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] heeft vanaf 7 oktober 2022 aan [gedaagde] een zogenaamde Alp Lift 350 kg verhuurd.
2.2.
Nadat [gedaagde] eerder aan [eiseres] had laten weten dat de betreffende lift gestolen was, heeft een derde namens [gedaagde] de lift op 9 november 2022 geretourneerd. Deze derde heeft ook de openstaande huurtermijn voldaan, na aftrek van een eerder betaalde borgsom.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] stelt dat de geretourneerde lift dermate beschadigd was (roestvlekken, inwerking van een bijtend zuur) dat reparatie duurder zou uitvallen dan het aanschaffen van een nieuwe lift.
3.2.
Op deze gronden vordert [eiseres] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:
1a. PRIMAIR de terzake verschuldigde som van € 4.020,46, te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 24% per jaar over € 3100,63 te rekenen vanaf 21 april tot de dag de algehele voldoening;
1b SUBSIDIAIR de terzake voorschreven verschuldigde som € 3.535,69, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te rekenen over € 3.100,63 vanaf 27 december 2022 tot de dag der algehele voldoening;
2. primair en subsidiair met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure.
3.3.
[gedaagde] erkent weliswaar aansprakelijk te zijn voor de schade, maar voert aan dat de lift ‘er al vele uren werk op (had) zitten’ en betwist – zo begrijpt de kantonrechter – de hoogte van de schadevergoeding.

4.De beoordeling

schade
4.1.
Door het beschadigd inleveren van de door hem gehuurde lift bij [eiseres] , is [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten en schadeplichtig geworden. [gedaagde] betwist ook niet de stelling van [eiseres] dat de betreffende lift dermate beschadigd werd ingeleverd dat herstel kostbaarder werd dan aanschaf van een nieuwe lift. [gedaagde] erkent ook dat hij de door [eiseres] geleden schade dient te vergoeden. De kantonrechter begrijpt zijn verweer als een betwisting van de hoogte van de schade door een beroep op ‘oud voor nieuw’.
4.2.
[eiseres] vordert vergoeding van een volledig nieuw aan te schaffen apparaat. De kantonrechter is echter van oordeel dat bij het vaststellen van de vervangingswaarde rekening dient te worden gehouden met de marktwaarde van de lift ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst, waarbij ouderdom en staat van onderhoud van belang is. Desgevraagd kon de bestuurder van [eiseres] echter niet aangeven wanneer deze lift was aangeschaft. Ervan uitgaande dat de lift bij het verhuren aan [gedaagde] niet fonkelnieuw was en al enkele jaren in de verhuur, zal de kantonrechter de schade conform artikel 6:96 BW Pro schatten op een bedrag van € 2.100,00.
vervallen contractuele rente, handelsrente
4.3.
Met betrekking tot de eveneens gevorderde contractuele rente ten belope van 24 % per jaar, verwijst [eiseres] naar de als productie 3 bij daagvaarding gevoegde algemene voorwaarden (uit 1994), hierna AVW. [eiseres] heeft zelf in de dagvaarding gesteld dat gedaagde dient te worden beschouwd als
consument(zie dagvaarding onder randnummer 1). Nu geen schriftelijke huurovereenkomst is overgelegd kan de kantonrechter niet vaststellen of deze algemene voorwaarden inderdaad zijn overeengekomen. Los daarvan dient de kantonrechter, gezien het arrest Heesakkers/Voets (HR 13 september 2013, RvdW 2013,1060), in consumentenzaken bedingen in AVW ambtshalve te toetsen. Een rente beding van effectief 24 % wordt beschouwd als een
oneerlijkbeding en zal om die reden worden vernietigd. Dit betekent dat de posten reeds vervallen en te vorderen contractuele rente gebaseerd op dit percentage worden afgewezen.
4.4.
Subsidiair vordert [eiseres] handelsrente over de verschuldigde som. Ook dit wordt afgewezen nu reeds is vastgesteld dat [gedaagde] dient te worden beschouwd als
consumenten niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijfin de zin van art. 6:119a BW en bovendien het vergoeden van schade niet wordt beschouwd als een
handelsovereenkomstin de zin van deze bepaling.
incassokosten
4.5.
De primair contractuele incassokosten, gebaseerd op de AVW, dienen krachtens het bepaalde in art. 6:96 lid 5 BW Pro eveneens te worden afgewezen nu [gedaagde] als natuurlijk persoon niet handelt in uitoefening van beroep of bedrijf en de gevorderde kosten die van de wettelijke kosten overstijgen.
4.6.
Nu door de gemachtigde van [eiseres] d.d. 24 februari 2023 een zogenaamde
veertien dagen briefwerd gestuurd aan [gedaagde] conform het bepaalde in art. 6:96 lid Pro BW, kunnen de subsidiair gevorderde (wettelijke) incassokosten evenwel worden toegewezen. Dit echter met dien verstande dat, nu de hoofdvordering wordt verminderd tot een bedrag van € 2.100,00, deze worden beperkt tot een bedrag van € 375,00.
4.7.
Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:
  • dagvaarding € 107,84
  • griffierecht € 487,00
  • salaris gemachtigde € ‭
totaal € ‭1.122,84‬‬‬

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 2.475,00 (waarvan € 2.100,00 aan schadevergoeding en € 375,00 aan buitengerechtelijke incassokosten),
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiseres] gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € ‭1.122,84‬, ‬‬
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.