De huurder [gedaagde] huurt sinds 2011 een woning, maar verblijft sinds september 2022 in detentie. Zijn zoon woont sindsdien in het gehuurde. Verhuurder [eiser] vordert ontruiming wegens schending van de huurovereenkomst, waaronder het niet zelf bewonen en strafbare activiteiten in het pand.
De rechtbank stelt vast dat de huurder langdurig niet zelf de woning bewoont en dat de zoon betrokken is bij strafbare feiten, waaronder opslag van lachgasflessen. Dit vormt een ernstige gevaarzetting en schending van de huurovereenkomst. De huurder is aansprakelijk voor gedragingen van personen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken.
De huurder heeft structureel te laat betaald en onvoldoende maatregelen genomen tegen de strafbare activiteiten van zijn zoon. De gevorderde ontruiming wordt toegewezen met een termijn van 30 dagen. De vordering tot betaling van huur na ontruiming wordt afgewezen. De huurder wordt veroordeeld in de proceskosten.