In deze zaak vordert Intrum Nederland B.V. dat de voormalige vennoten van de vennootschap onder firma [naam VOF] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van €7.450,89 plus wettelijke handelsrente over een deel van dit bedrag vanaf 17 juli 2023. De vordering betreft onbetaalde facturen die zijn voortgekomen uit een zakelijke overeenkomst gesloten op 26 oktober 2015 met de rechtsvoorganger van Intrum Nederland B.V.
Gedaagde sub 1 betwist de vordering slechts op grond van verjaring, stellende dat geen aanmaningen of herinneringen zijn ontvangen. Deze stelling is door eiseres gemotiveerd weersproken met overgelegde aanmaningen. Gedaagde sub 1 heeft geen nadere onderbouwing of bewijs geleverd, ondanks gelegenheid daartoe.
De kantonrechter oordeelt dat het verweer onvoldoende is gemotiveerd en verwierp het. De vordering wordt daarom toegewezen en gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag en de kosten van de procedure. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.