ECLI:NL:RBLIM:2023:6724
Rechtbank Limburg
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom huisvesting arbeidsmigranten
Verzoeker, eigenaar van twee panden waarin arbeidsmigranten worden gehuisvest, kreeg van de burgemeester een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) door het huisvesten van meer dan acht arbeidsmigranten zonder exploitatievergunning. Verzoeker ging hiertegen in bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde eerst of sprake was van een spoedeisend belang. Verzoeker stelde dat het financiële belang en reputatieschade dit rechtvaardigden, maar de rechter oordeelde dat een financieel belang op zichzelf onvoldoende is en dat geen acute financiële noodsituatie was aangetoond. Ook reputatieschade werd als onvoldoende spoedeisend belang beoordeeld.
Vervolgens werd gekeken of het besluit van de burgemeester evident onrechtmatig was. De burgemeester had de twee panden als één huisvestingsvoorziening aangemerkt, wat volgens de voorzieningenrechter passend was gezien de definitie in de APV en het doel van de exploitatievergunning om overlast en veiligheidsrisico's te voorkomen. De rechter achtte het niet aannemelijk dat het besluit in bezwaar zou worden vernietigd.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is definitief en uitgesproken op 17 november 2023.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en het besluit is niet evident onrechtmatig.