ECLI:NL:RBLIM:2023:7018

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 juni 2023
Publicatiedatum
1 december 2023
Zaaknummer
C/03/318317 / FA RK 23-1960
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:199 BWArt. 1:200 BWArt. 1:212 BWArt. 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot ontkenning vaderschap na erkenning onder Belgisch recht

De man heeft het kind erkend onder toepassing van Belgisch recht, maar verzoekt nu om ontkenning van het vaderschap indien uit een DNA-onderzoek blijkt dat hij niet de biologische vader is. De rechtbank Limburg oordeelt dat het vaderschap niet ontkend kan worden op grond van artikel 1:200 BW Pro omdat het vaderschap is ontstaan door erkenning en niet door huwelijk.

De rechtbank geeft de man de gelegenheid om zijn verzoek aan te passen en rechtsgronden aan te vullen, met nadruk op het toepasselijke recht. Tevens wordt een bijzondere curator benoemd om het belang van de minderjarige te vertegenwoordigen en een standpunt in te nemen over het verzoek en het toepasselijk recht.

De bijzondere curator dient binnen vier weken na ontvangst van de aanvullende stukken verslag uit te brengen. De rechtbank houdt de beslissing voorlopig aan voor zes weken. Het proces betreft een complexe afstemming van internationaal en nationaal recht met aandacht voor de juridische positie van het kind.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot ontkenning vaderschap voorlopig af en stelt de man in de gelegenheid zijn verzoek aan te passen; benoemt een bijzondere curator voor het kind.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 13 juni 2023
Zaaknummer: C/03/318317 / FA RK 23-1960
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven in de zaak van:
[de man] ,
verzoeker, verder te noemen: de man,
wonend in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. S.X.J. Zuidema, kantoorhoudend in Heerlen.
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
verder te noemen: de moeder,
wonend in [woonplaats 2] ,
en de minderjarige:
[minderjarige] ,hierna te noemen: [minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] .

1.Het verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift van de man, ontvangen op 22 mei 2023;
  • de aanvullende stukken van de man, ontvangen op 2 juni 2023.

2.De feiten

Uit de moeder is [minderjarige] geboren. Op 27 december 2019 is [minderjarige] met toestemming van de moeder erkend door de man, waarbij is gekozen voor de geslachtsnaam ‘ [geslachtsnaam] ’. Op de erkenning is Belgisch recht toegepast.
De moeder is alleen met het gezag over [minderjarige] belast.
Uit de basisregistratie personen (BRP) volgt dat de moeder en [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit hebben. De man heeft de Belgische nationaliteit.

3.Het verzoek

De man verzoekt, bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan de vaststelling dat de man niet de biologische vader van [minderjarige] is, door alle middelen rechtens, meer speciaal door een rechtsgeldige verwantschapstest van een terzake gecertificeerd instituut, althans een DNA-onderzoek te gelasten;
voor zover uit het onderzoek blijkt dat de man niet de biologische vader van [minderjarige] is, de ontkenning van het door erkenning ontstane vaderschap van de man met betrekking tot [minderjarige] gegrond te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
De onderhavige zaak heeft een internationaal karakter. De rechtbank dient daarom eerst ambtshalve te beoordelen of aan de Nederlandse rechter (in internationale zin) bevoegdheid toekomt. Aangezien de moeder, de man en [minderjarige] in Nederland woonplaats hebben, komt op grond van artikel 3, aanhef en onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de Nederlandse rechter bevoegdheid toe.
4.2.
De man verzoekt, naar de rechtbank begrijpt, voor zover uit een onderzoek blijkt dat de man niet de biologische vader van [minderjarige] is, de ontkenning van het vaderschap van [minderjarige] gegrond te verklaren. De man beroept zich in dit kader op artikel 1:200 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Op grond van lid 1 van dit artikel kan het in artikel 1:199 onder Pro a en b BW bedoelde vaderschap worden ontkend door de vader, de moeder of door het kind zelf. Artikel 1:199 bepaalt Pro vervolgens, voor zover van belang en kort gezegd, dat de vader van een kind de man is:
die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd;
wiens huwelijk met de vrouw uit wie het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden.
4.3.
Het vaderschap van de man is niet ontstaan door het huwelijk tussen de moeder en de man. De man en de moeder zijn immers niet gehuwd (geweest). Uit de geboorteakte van [minderjarige] en de latere vermelding betreffende erkenning blijkt dat de man [minderjarige] heeft erkend. Dat betekent dat de man niet op grond van artikel 1:200 BW Pro het vaderschap kan ontkennen.
4.4.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de man in de gelegenheid stellen zijn verzoek, voor zover noodzakelijk, aan te passen, dan wel om de rechtsgronden aan te vullen. Daarbij verwacht de rechtbank nadrukkelijk ook dat de man ingaat op het op het verzoek toepasselijk recht en de inhoud daarvan. De rechtbank zal de man hiertoe een termijn van twee weken geven.
4.5.
Duidelijk is dat de man met zijn verzoek beoogt dat hij, voor zover uit een onderzoek blijkt dat hij niet de biologische vader van [minderjarige] is, niet langer wordt aangemerkt als de juridische vader van [minderjarige] . Een dergelijk verzoek betreft de afstamming van [minderjarige] . Op grond van artikel 1:212 BW Pro wordt in zaken van afstamming het minderjarige kind, optredend als belanghebbende, vertegenwoordigd door een bijzondere curator daartoe benoemd door de rechtbank die over de zaak beslist. De rechtbank zal daarom een bijzondere curator benoemen, die [minderjarige] als belanghebbende zal vertegenwoordigen. De rechtbank zal daartoe mr. J.F.C. Eliëns, advocaat, kantoorhoudend in Beek, benoemen, die zich bereid heeft verklaard als bijzondere curator voor [minderjarige] op te treden.
4.6.
De bijzondere curator dient (na binnenkomst van het bericht van de man over het verzoek en het toepasselijk recht) binnen vier weken de rechtbank in drievoud verslag te doen van zijn bevindingen en daarbij een standpunt in te nemen over het verzoek betreffende de afstamming van [minderjarige] . In dat verband verwacht de rechtbank dat ook de bijzondere curator ingaat op de vraag aan de hand van welk toepasselijk recht het aan de rechtbank voorgelegde verzoek dient te worden beoordeeld. Daarbij dient de bijzondere curator, als hij tot de slotsom komt dat vreemd recht van toepassing is, zich uit te laten over de inhoud van het vreemde recht, onder vermelding van de van belang zijnde wetsartikelen en de gevolgen daarvan voor de onderhavige procedure.
4.7.
Na binnenkomst van de aanvullende informatie van de man en het verslag van de bijzondere curator zal de rechtbank de belanghebbenden informeren over het verdere procesverloop. Voorlopig houdt de rechtbank iedere beslissing op de verzoeken aan, pro forma voor de duur van zes weken.

5.De beslissing

De rechtbank:
benoemt mr. J.F.C. Eliëns, advocaat, kantoorhoudend in Beek, tot bijzondere curator voor [minderjarige] , teneinde hem als belanghebbende te vertegenwoordigen ter zake het verzoek van de man;
bepaalt dat de man zich binnen twee weken dient uit te laten over de rechtsgronden van het verzoek en het op het verzoek toepasselijk recht, zoals hiervoor is overwogen;
bepaalt dat de bijzondere curator binnen vier weken na binnenkomst van de aanvullende informatie van de man de rechtbank in drievoud schriftelijk verslag dient te doen van zijn bevindingen en daarbij een standpunt dient in te nemen over het verzoek van de man, waarbij de bijzondere curator zich ook dient uit te laten over het op dat verzoek toepasselijke recht, zoals hiervoor is overwogen;
houdt iedere (verdere) beslissing op de verzoeken aan, voorlopig pro forma voor de duur van zes weken.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Verhey, griffier op 13 juni 2023.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.