Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De vordering van de officier van justitie
3.De beoordeling
- € 54.713,- van [naam slachtoffer bedrijf 1] ;
- € 5.989,50 + € 7.986,00 + € 5.989,50 van [naam slachtoffer 1] ;
- € 1.000,- van [naam slachtoffer 2] ;
- € 5.095,55 van [naam slachtoffer 3] ;
- € 1.353,- van [naam slachtoffer 4] ;
- € 8.923,75 van [naam slachtoffer 5] (€ 4.500,- + € 945,- + € 3.478,75);
- € 3.890,25 van [naam slachtoffer 6] ;
- € 22.049,23 van [naam slachtoffer 7] (€ 10.000,- + € 8.222,50 exclusief BTW);
- € 907,- van [naam slachtoffer 8] .
4.Het wettelijke voorschrift
5.De beslissing
- stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
- legt [verdachte] de verplichting op tot
gijzelingdie met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
1080 dagen.