Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2024:10138

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
2 februari 2024
Publicatiedatum
7 januari 2025
Zaaknummer
C/03/ 326159 / HA RK 24-7 en C/03/ 326184 / HA RK 24-9
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 lid 1 RvArt. 254 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring wrakingsverzoek tegen voorzieningenrechter rechtbank Limburg

Verzoeker diende twee wrakingsverzoeken in tegen mr. A.P.A. Bisscheroux, voorzieningenrechter bij de rechtbank Limburg, naar aanleiding van de afwijzing van zijn verzoek tot volledige schriftelijke behandeling van twee kort gedingprocedures tegen Stichting Achmea Rechtsbijstand.

De wrakingskamer beoordeelde of er sprake was van een gegronde vrees voor partijdigheid van de rechter. De rechter had het verzoek tot schriftelijke behandeling afgewezen als een procesbeslissing, waartegen wraking in principe niet mogelijk is. Verzoeker stelde dat de rechter onpartijdigheid zou schaden, maar kon dit niet objectief onderbouwen.

De wrakingskamer oordeelde dat de afwijzing van het verzoek een reguliere procesbeslissing betreft en dat er geen aanwijzingen zijn dat de rechter vooringenomen is. De overige verzoeken van verzoeker werden als niet-ontvankelijk verklaard omdat deze niet tot de bevoegdheid van de wrakingskamer behoren.

Daarom werd het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard en de overige verzoeken afgewezen. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank Limburg op 2 februari 2024.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter is kennelijk ongegrond verklaard en overige verzoeken zijn niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummers: C/03/ 326159 / HA RK 24-7 en C/03/ 326184 / HA RK 24-9
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken van 2 februari 2024
op het verzoek van:
[verzoeker],
wonend te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
dat strekt tot wraking van mr. A.P.A. Bisscheroux, voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Bij het team Burgerlijk recht van deze rechtbank, locatie Maastricht zijn onder zaaknummers 10782397 CV 23-5381 en 10859241 CV 23-6676 kort gedingprocedures aanhangig tussen - in beide zaken - verzoeker als eiser en Stichting Achmea Rechtsbijstand, gevestigd te Tilburg, als gedaagde, met als gemachtigde mr. C.W.L. van de Merbel, advocaat.
1.2.
De rechtbank heeft verzoeker 3 januari 2024 een e-mail gestuurd. Hierin staat dat op 29 december jl. een tweede kort geding is ingediend door verzoeker waarbij Stichting Achmea Rechtsbijstand gedaagde partij is. Voor zover de rechtbank op dat moment kon overzien, zou de tweede kort gedingvaarding zien op hetzelfde feitencomplex als de eerste dagvaarding, waarvan de mondelinge behandeling op 8 januari 2024 zou plaatsvinden. Verder is aangegeven dat tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 8 januari 2024 de rechter de verdere gang van zaken ten aanzien van de tweede kort gedingdagvaarding zou bespreken. Tenslotte is in deze e-mail opgenomen dat verzoeker eerder had aangegeven een schriftelijke afhandeling van het kort geding te wensen. Aangegeven wordt dat dit niet mogelijk is, omdat uit artikel 254 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) volgt dat de rechter gehouden is dag en uur vast te stellen waartegen de zaak behandeld zal worden. Verzoeker is erop gewezen dat uit een niet-verschijnen op de mondelinge behandeling de rechter de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht.
1.3.
Verzoeker heeft op 8 januari 2024 een tweetal verzoekschriften tot wraking van mr. J.W. Rijksen, eveneens voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, bij de rechtbank ingediend. Uit de stukken volgt dat mr. Rijksen niet de behandelend rechter is, maar dat de behandeling van de zaak is overgenomen door mr. A.P.A. Bisscheroux. De rechtbank heeft verzoeker vervolgens bericht dat, nu de betreffende inhoudelijke procedurele beslissingen zijn genomen na de rechterswissel, het wrakingsverzoek zal worden opgevat als zijnde gericht tegen mr. Bisscheroux, de rechter. Bij e-mailbericht van 8 januari 2024 laat verzoeker weten hiermee in te stemmen.
1.4.
De rechter heeft niet in de wrakingen berust en heeft op 10 januari 2024 een schriftelijke reactie ingediend. Gelet op de wens van verzoeker heeft er geen mondelinge behandeling plaatsgevonden en werd verzoeker vervolgens in de gelegenheid gesteld hier schriftelijk op te reageren, hetgeen hij ook bij bericht van 15 januari 2024 heeft gedaan.
1.5.
De datum van de uitspraak is bepaald op heden.

2.Het wrakingsverzoek

Verzoeker is van mening dat er sprake is van vrees dat de rechterlijke onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen ondervinden, onder meer door de afwijzing van het verzoek van verzoeker om een volledige schriftelijke behandeling van de kort gedingen. Verzoeker verzoekt de wrakingskamer in beide wrakingsverzoeken vervolgens (I) een volledige schriftelijke behandeling (naar de wrakingskamer begrijpt:) van de voormelde kort gedingprocedures, (II) de Staat der Nederlanden te veroordelen om aan verzoeker in de onderliggende procedures een bedrag van € 25.000,-, althans een door de wrakingskamer te bepalen bedrag te betalen, (III) de wrakingsverzoeken (onder meer) gegrond te verklaren en (IV) de juridische rechtsbescherming om het feitelijk handelen/nalaten door de rechter te stoppen. In de reactie van 15 januari 2024 herhaalt verzoeker (slechts) zijn oorspronkelijke verzoeken (III) en (IV).

3.Het standpunt van de rechter

De rechter stelt zich op het standpunt dat zij, na kennis te hebben genomen van de argumenten van verzoeker, het verzoek van verzoeker om een schriftelijke behandeling van de kort gedingen - op grond van de wet - heeft afgewezen en dit een procesbeslissing betreft, die (in beginsel) geen grond voor wraking kan vormen.

4.De beoordeling

Beoordelingskader

4.1.
Artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) houdt in dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit is slechts anders als zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
4.3.
Artikel 37 lid 1 Rv Pro bepaalt dat een wrakingsverzoek tijdig moet worden gedaan, namelijk zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
Ontvankelijkheid
4.4.
De wrakingskamer stelt vast dat de wrakingsverzoeken tijdig zijn ingediend, zodat verzoeker ontvankelijk is voor zover de verzoeken zien op wraking van de rechter.
4.5.
Ten aanzien van de overige verzoeken gedaan in de inleidende wrakingsverzoekschriften, te weten (I) en (II) en (IV) is verzoeker niet-ontvankelijk, nu dit geen verzoeken zijn die door de wrakingskamer (kunnen) worden beoordeeld.
Wrakingsverzoek
4.6.
De beslissing van de rechter tot afwijzing van het verzoek van verzoeker om het kort geding uitsluitend schriftelijk te behandelen, dus zonder mondelinge behandeling, betreft een procesbeslissing.
4.7.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, bijvoorbeeld in het arrest van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, is de wrakingskamer niet bevoegd om te oordelen over de juistheid van een procesbeslissing. Ook over de motivering van een procesbeslissing mag de wrakingskamer geen oordeel geven, zelfs niet als het gaat om een door verzoekster onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. De reden hiervoor is dat er tegen een uitspraak van de rechtbank doorgaans een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) kan worden ingesteld waarbij dit aan de orde kan komen.
Alleen als een procesbeslissing in het licht van de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid, kan dat tot een ander oordeel leiden.
4.8.
Naar het oordeel van de wrakingskamer is daarvan in deze zaak echter niet gebleken. Uit de motivering van de beslissing van de rechter op het verzoek van verzoeker tot een volledige schriftelijke behandeling is geen partijdigheid gebleken. Dat de beslissing van de rechter van 3 januari 2024 volgens verzoeker onjuist zou zijn, dan wel de motivering onvoldoende zou zijn, maakt het voorgaande niet anders.
4.9.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de rechter ten aanzien van verzoeker vooringenomen is of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond moet worden verklaard.

5.De beslissing

De wrakingskamer:
5.1.
verklaart het verzoek van verzoeker tot wraking van de rechter kennelijk ongegrond;
5.2.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in de overige verzoeken.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.J. Otto, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en
mr. H.H. Dethmers, allen rechters, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2024.