ECLI:NL:RBLIM:2024:10158

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 december 2024
Publicatiedatum
9 januari 2025
Zaaknummer
ROE 23/1424
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:74 AwbArt. 8:31 AwbArt. 8:47 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor parkeren in voortuin ten behoeve van opladen elektrische auto

Eiser verzocht om een omgevingsvergunning voor het parkeren in de voortuin ten behoeve van het opladen van een elektrische auto met eigen zonne-energie. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Heerlen, weigerde deze vergunning en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank vroeg verweerder meerdere malen om de op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen, maar deze zijn niet ontvangen. Hierdoor kon de rechtbank het besluit niet inhoudelijk beoordelen. Op basis van artikel 8:54 Awb Pro besloot de rechtbank het onderzoek te sluiten en het beroep kennelijk gegrond te verklaren.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen en dit bekend te maken. Tevens werd verweerder verplicht het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter A. Snijders op 20 december 2024.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens het ontbreken van stukken van verweerder.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 23 / 1424

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2024 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2023 heeft verweerder geweigerd aan eiser een omgevingsvergunning te verlenen voor het parkeren in de voortuin. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 22 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) kan de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat hij kennelijk onbevoegd is of het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2. Na kennis genomen te hebben van het dossier ziet de rechtbank in deze procedure aanleiding om met toepassing van deze bepaling uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
3. Ingevolge artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, zendt het bestuursorgaan binnen vier weken na dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan hem de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter.
Ingevolge artikel 8:31 van Pro de Awb kan de bestuursrechter, indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, van de Awb, daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.
4. De griffier heeft verweerder bij brief van 29 juni 2023 verzocht om binnen vier weken na de datum van verzending van die brief de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Daarbij is vermeld dat bij het uitblijven van een reactie van de zijde van verweerder de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen zal maken die haar geraden voorkomen.
5. Bij aangetekend verzonden brief van 31 juli 2023 heeft de griffier de brief van 29 juni 2023 bij verweerder in herinnering gebracht en verzocht alsnog binnen twee weken op deze brief te reageren. Daarbij is vermeld dat de rechtbank bij het uitblijven van een reactie daaraan de gevolgen kan verbinden die haar geraden voorkomen.
6. De op de zaak betrekking hebbende stukken zijn tot op heden niet ter griffie ontvangen.
7. Hoewel verweerder hiertoe genoegzaam in de gelegenheid is gesteld, heeft hij nagelaten de op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Hierdoor is de rechtbank niet in staat deugdelijk te beoordelen of het bestreden besluit in stand kan blijven. Mede gelet op de hiervoor genoemde wettelijke bepalingen ziet de rechtbank daarom aanleiding het onderzoek te sluiten en het beroep van eiser kennelijk gegrond te verklaren.
8. Ter voorlichting aan eiser merkt de rechtbank op dat deze gegrondverklaring van zijn beroep enkel is ingegeven door hetgeen onder 7 is vermeld en dus niet berust op een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit en het daartegen gerichte beroep van eiser. Verweerder moet opnieuw een besluit op het bezwaar nemen en als eiser het met dat besluit niet eens is, kan hij opnieuw beroep instellen. Eiser zal dit laatste ook moeten doen als hij wil voorkomen dat het nieuwe besluit onherroepelijk wordt.
9. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, volgt uit artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dat verweerder het betaalde griffierecht zal dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen en dat besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht (ad € 184,00) aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van J.B.J.C.L. Caelers-Sijbers, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2024
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 20 december 2024
AC

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.