ECLI:NL:RBLIM:2024:10162
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek wettelijke schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw ontstaan schulden
Verzoeker heeft een faillissementsverzoek ontvangen en daarop een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. De rechtbank heeft dit verzoek getoetst aan artikel 288 Faillissementswet Pro, waarbij de goede trouw van verzoeker centraal stond.
De rechtbank constateert dat alle schulden binnen drie jaar voorafgaand aan het verzoek zijn ontstaan en dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw was. Hoewel verzoeker sinds augustus 2024 werkzaamheden verricht in een B.V. waarvan hij bestuurder is, en de administratie op orde heeft gebracht, is dit nog te kort om van een bestendige gedragsverandering te spreken.
Daarnaast zijn er meerdere boetes voor onverzekerd rijden en rijden zonder geldig keuringsbewijs, ook kort voor het verzoek, wat wijst op onvoldoende inspanningen om schulden te voorkomen. Tevens is er sprake van conflicterende belangen doordat verzoeker gebruikmaakt van materieel van familieleden die tevens schuldeiser zijn, en verdient hij slechts minimumloon terwijl de B.V. winst maakt.
De rechtbank concludeert dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond zich maximaal in te spannen voor schuldeisers en wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw ontstaan van schulden en ontbreken bestendige gedragsverandering.