In deze civiele zaak stonden partijen, voormalig echtgenoten, tegenover elkaar omtrent de verkoop van hun gezamenlijke voormalige woning. De eiseres vorderde nakoming van de verkoopovereenkomst en betaling van een geldbedrag, terwijl de gedaagde werd veroordeeld tot betaling en medewerking aan de verkoop.
Tijdens de mondelinge behandeling op 30 oktober 2024 wijzigden partijen hun vorderingen, welke vervolgens als onweersproken werden beschouwd. De rechtbank veroordeelde de gedaagde tot betaling van €36.598,- plus wettelijke rente en stelde een termijn tot 28 februari 2025 voor ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de bank.
Indien geen ontslag wordt verleend, zijn partijen verplicht de woning uiterlijk 5 maart 2025 via een makelaar te verkopen, met gedetailleerde verplichtingen omtrent medewerking, vraagprijsbepaling, aanvaarding van biedingen, ontruiming en notarieel transport. Tevens is geregeld dat bij weigering van medewerking het vonnis dezelfde kracht krijgt als een handtekening onder de verkoop- en transportovereenkomsten.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 13 november 2024 door rechter J.J. Verhoeven gewezen.