De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot voorlopige ondertoezichtstelling van een ongeboren kind, uitgaande van ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van het kind. De moeder is zwanger en uitgerekend op 10 augustus 2024. De Raad baseert haar zorgen op de psychische toestand van de moeder, haar belast verleden, het ontbreken van een steunend netwerk en een incident met een groep jongeren. Hulpverlening in het vrijwillig kader is niet van de grond gekomen vanwege de houding van de moeder.
De moeder betwist de beschuldigingen en stelt dat zij stabiel is en vrijwillig heeft meegewerkt aan medische onderzoeken. Zij erkent wantrouwen richting instanties, gebaseerd op eerdere ervaringen. De kinderrechter concludeert dat het ongeboren kind, gelet op de levensvatbaarheid en afhankelijkheid van de moeder, bescherming behoeft. Er is een ernstig vermoeden van bedreiging van de ontwikkeling van het kind, mede omdat de moeder niet bereid is vrijwillig hulp te accepteren.
De kinderrechter wijst het verzoek tot onmiddellijke beschikking af en plant een mondelinge behandeling. Na deze zitting stelt hij het ongeboren kind voorlopig onder toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg voor drie maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De beslissing is genomen ondanks de erkenning van de goede intenties van de moeder, met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het welzijn van het kind.