De rechtbank Limburg behandelde het klaagschrift van klager tegen de inbeslagname van het medisch en verpleegkundig zorgdossier van mevrouw [overledene], die overleed onder verdachte omstandigheden. Klager, arts-specialist ouderengeneeskunde en geheimhouder, beriep zich op het verschoningsrecht, maar de rechtbank oordeelde dat zeer uitzonderlijke omstandigheden dit recht doorbreken.
De verdenking richt zich tegen klager zelf, die als hoofdbehandelaar verantwoordelijk was voor de behandeling van de overledene. Het dossier bevat aanwijzingen van nalatigheid en mogelijk ouderenmishandeling, ondersteund door een sectierapport dat overlijden door ondervoeding of uithongering verklaart. De rechtbank concludeert dat het maatschappelijk belang van waarheidsvinding zwaarder weegt dan het belang van geheimhouding.
De rechtbank verwierp ook de niet-ontvankelijkheidsgronden van klager tegen beslissingen van de rechter-commissaris en de vordering tot uitlevering van stukken. Andere minder ingrijpende onderzoeksmethoden werden onvoldoende geacht om het onderzoek adequaat te voeren. De beslissing van de rechter-commissaris tot inbeslagname werd bevestigd en het beroep van klager ongegrond verklaard.