De rechtbank Limburg behandelde op 4 maart 2024 de strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van meerdere feiten van identiteitsfraude, flessentrekkerij en oplichting in de periode van 2019 tot 2021. De officier van justitie achtte sommige feiten bewezen, met name die waarbij gebruik werd gemaakt van het e-mailadres, telefoonnummer en woonadres van verdachte.
De verdediging voerde aan dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om het daderschap van verdachte vast te stellen, mede omdat meerdere bestellingen met andere contactgegevens werden geplaatst en er geen sluitend onderzoek naar IP-adressen was gedaan. De rechtbank onderschreef dit standpunt en concludeerde dat het onderzoek te summier was en er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was.
De rechtbank sprak verdachte vrij van alle feiten, waaronder identiteitsfraude, flessentrekkerij en poging tot oplichting. Tevens verklaarde de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk en veroordeelde deze in de kosten van de verdediging.