AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
Verzoeker diende op 15 januari 2024 een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Tijdens de zitting op 2 april 2024 werd verzoeker gehoord, waarbij ook vertegenwoordigers van de gemeente Weert aanwezig waren. De rechtbank toetste het verzoek aan artikel 288 vanPro de Faillissementswet, waarbij goede trouw van de schuldenaar centraal staat.
De rechtbank constateerde dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw was. Dit volgt onder meer uit het feit dat eerder een schuldsanering was toegepast die in 2016 eindigde, en dat de gemeente Weert een grote schuld heeft teruggevorderd wegens ten onrechte ontvangen bijstand over diverse jaren. Tevens is een boete opgelegd wegens schending van de informatieplicht, die binnen de driejaarstermijn valt en per definitie niet te goeder trouw is ontstaan.
Daarnaast zijn er schulden aan de Belastingdienst, waaronder een vordering omzetbelasting 2023, die eveneens niet te goeder trouw zijn ontstaan. Verzoeker heeft bovendien schulden aan familie en vrienden afbetaald in plaats van belastingaanslagen te voldoen. Ook bleek dat verzoeker mogelijk een koeriersbedrijf heeft gehad waarover geen stukken zijn overgelegd, waardoor de goede trouw niet kan worden getoetst.
Gezien deze feiten concludeert de rechtbank dat verzoeker niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. Daarom wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw.
Verzoeker heeft op 15 januari 2024 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
1.2.
Verzoeker is gehoord ter zitting van 2 april 2024. Hierbij waren tevens aanwezig [naam zoon] (zoon van verzoeker), [naam 1] en [naam 2] , beiden namens de gemeente Weert.
1.3.
De uitspraak is bepaald op heden.
2.De beoordeling
2.1.
De rechtbank dient het verzoek te toetsen aan de criteria genoemd in artikel 288 vanPro de Faillissementswet (Fw).
2.2.
Bij de beoordeling van het in artikel 288 lid 1 onderPro b Fw bedoelde te goeder trouw zijn van de schuldenaar wordt een gedragsmaatstaf gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Het is daarbij aan de schuldenaar om bedoelde goede trouw aannemelijk te maken.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend steeds te goeder trouw is geweest, zoals de wet dat bedoelt. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
2.4.
Ten aanzien van verzoeker en zijn toenmalige echtgenote is eerder met ingang van 1 oktober 2013 de toepassing van de wettelijke schuldsanering uitgesproken. Deze schuldsanering is op 4 mei 2016 geëindigd met toepassing van artikel 354a Fw.
2.5.
Bij besluit van 25 januari 2021 heeft de Gemeente Weert ten aanzien van verzoeker en zijn toenmalige echtgenote het gezamenlijk recht op bijstand ingetrokken over de perioden juni en juli 2012, januari tot en met juni 2013 en januari 2015 tot en met juni 2016, en ook het recht op bijstand ingetrokken dan wel herzien over (andere) perioden gelegen tussen 2006 tot en met 2018. Bij besluit van 28 januari 2021 heeft de Gemeente Weert € 69.645,89 aan ten onrechte ontvangen bijstand van zowel verzoeker als zijn toenmalige echtgenote teruggevorderd en op 30 juni 2021 heeft de Gemeente Weert een boete opgelegd van € 540,- vanwege het schenden van de informatieplicht.
Naar aanleiding van een namens verzoeker gevoerde bezwaarschriftprocedure heeft de Gemeente Weert de intrekking en terugvordering in die zin aangepast dat de intrekking van het recht op bijstand in 2012 is beperkt tot de maand juli, de intrekking van het recht op bijstand in 2013 is beperkt tot de maand januari en het terugvorderingsbedrag is vastgesteld op € 64.306,08. De rechtbank heeft deze beslissing in beroep in stand gelaten.
2.6.
De hiervoor genoemde schuld aan de Gemeente Weert vormt verreweg het grootste aandeel in de huidige schuldenlast van verzoeker. Daarnaast heeft verzoeker schulden aan de Belastingdienst ter hoogte van € 7.114 waarvan deel uitmaakt een vordering ter zake omzetbelasting over het jaar 2023 ter hoogte van € 2.012.
2.7.
De rechtbank merkt op dat als ontstaansdatum van de schuld aan de Gemeente Weert geldt de datum waarop de uitkering ten onrechte is ontvangen, in dit geval dus ten laatste in het jaar 2018. Deze schuld valt buiten de hiervoor genoemde driejaarstermijn en blijft bij de beoordeling van de goede trouw buiten beschouwing. Niet ondenkbeeldig is evenwel dat het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan de terugvordering van de bijstand aanleiding geeft tot een verzoek tot ontneming van de schone lei die is verleend in de eerdere schuldsanering. Dat verzoek ligt thans echter niet voor.
2.8.
Als ontstaansdatum van de door de Gemeente Weert opgelegde boete geldt de datum waarop het boetebesluit is genomen, namelijk 30 juni 2021, en die datum valt wel binnen de driejaarstermijn. Een dergelijke boete wegens schending van de inlichtingenplicht is per definitie niet te goeder trouw ontstaan. Dit geldt temeer nu verzoeker volgens het boetebesluit geheel niet heeft gereageerd op het voornemen van de Gemeente Weert om verzoeker een boete op te leggen waarbij verzoeker in de gelegenheid is gesteld om uit te leggen wat er volgens hem precies is gebeurd en waarom.
2.9.
Ook een deel van de schuld aan de Belastingdienst is niet te goeder trouw ontstaan, namelijk voor zover het betreft de omzetbelasting over 2023. Dat volgt uit bijlage III Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken inhoudende ‘landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling’ waarin is bepaald dat van goede trouw in beginsel geen sprake is indien de schuldenaar in de periode van drie jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoek schulden heeft laten ontstaan aan de Belastingdienst die betrekking hebben op het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting. Daar komt nog bij dat verzoeker volgens het verzoekschrift niet heeft gereserveerd voor de aanslagen van de Belastingdienst en ervoor gekozen heeft om zijn privé schulden af te lossen in plaats van het betalen van de belastingaanslagen.
Desgevraagd heeft verzoeker ter zitting verklaard dat hij voor een bedrag van € 5.000 tot € 6.000 aan schulden aan familie en vrienden heeft afbetaald omdat deze al lange tijd op hun geld aan het wachten waren.
2.10.
Tot slot is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat verzoeker niet alleen (zoals in het verzoekschrift vermeld) een onderneming in de particuliere beveiliging heeft gedreven, maar dat hij ook enige tijd een koeriersbedrijf heeft gehad. Van die onderneming zijn in het geheel geen stukken overgelegd en de schuldhulpverlener was van het bestaan van die onderneming niet op de hoogte. Volgens de verklaring van verzoeker heeft hij die onderneming mogelijk nog tot in het jaar 2021 gehad, maar dat weet hij niet zeker. Zonder onderliggende stukken kan de rechtbank dat niet controleren en dus ook de goede trouw niet toetsen voor zover de onderneming binnen de driejaarstermijn nog heeft bestaan.
2.11.
Al het voorgaande leidt op zichzelf maar zeker in onderlinge samenhang beschouwd tot de conclusie dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt hij ter goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. Daarom moet zijn verzoek worden afgewezen.
3.De beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2024 in tegenwoordigheid van M. Vanderbroeck, griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.