ECLI:NL:RBLIM:2024:2511

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
16 mei 2024
Zaaknummer
329219/ HA RK 24-70
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbWrakingsprotocol rechtbank Limburg art. 4 lid 2
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter in bestuursrechtelijke zaken niet ontvankelijk verklaard

Verzoeker heeft op 25 maart 2024 een verzoek tot wraking ingediend tegen mr. J.M.E. Derks, rechter in de rechtbank Limburg, voor meerdere bestuursrechtelijke zaken. De rechter gaf aan niet te berusten in de wraking en stelde dat zij in de genoemde zaken niet meer of niet langer de behandelend rechter is.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en het Wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg. Volgens deze regels kan alleen een verzoek tot wraking worden ingediend tegen de behandelend rechter. In de meeste genoemde zaken had de rechter reeds uitspraak gedaan of was de zaak aan een collega toegewezen.

In enkele zaken was sprake van verzet tegen uitspraken waarbij de rechter niet betrokken kan zijn bij de behandeling van het verzet. De wrakingskamer concludeerde dat er geen feiten of omstandigheden waren die het tegendeel bewezen en verklaarde het verzoek tot wraking dan ook niet ontvankelijk. Tevens benadrukte de wrakingskamer dat zij niet bevoegd is om uitspraken te doen over de toedeling van zaken.

Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de rechter is in alle genoemde bestuursrechtelijke zaken niet ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer: 329219/ HA RK 24-70
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te Heerlen,
verzoeker,
dat strekt tot wraking van mr. J.M.E. Derks, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.

1.De procedure

Verzoeker heeft in een e-mailbericht op 25 maart 2024 de wraking van de rechter verzocht in de bestuursrechtelijke zaken met nummers ROE 23/2348, ROE 24/1182, ROE 23/2485, ROE 23/2479, ROE 23/3316, ROE 23/2193, ROE 23/1357, ROE 23/2074, ROE 23/3405 en ROE 23/2367.
De rechter heeft de wrakingskamer op 9 april 2024 een schriftelijke reactie gestuurd en bericht dat zij niet berust in de wraking.
De wrakingskamer heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden.

2.Standpunt van de rechter

De rechter voert aan – zakelijk weergegeven – dat de wraking geen doel treft omdat zij in de zaken waarop het verzoek betrekking heeft niet of niet meer de behandelend rechter is. Twee zaken zijn bij collega’s in behandeling en in de overige zaken is haar behandeling daarvan geëindigd met het doen van een uitspraak.

3.De beoordeling

Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Op grond van artikel 4, tweede lid, aanhef onder d en e, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg kan de wrakingskamer een verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds niet-ontvankelijk verklaren, indien het verzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is of wordt gedaan of het verzoek geen betrekking heeft op de met de behandeling van de zaak belaste rechter.
De strekking van deze bepalingen is dat alleen ten aanzien van de behandelend rechter een verzoek tot wraking kan worden ingediend.
De wrakingskamer stelt vast dat in geen van de bestuursrechtelijke zaken, genoemd in het wrakingsverzoek, de rechter (nog) betrokken is, gelet op het navolgende.
In de zaken ROE 23/2193, ROE 23/1357 en ROE 23/2348 heeft de rechter reeds uitspraak gedaan. Dit betreft einduitspraken waartegen hoger beroep kan worden ingesteld.
De zaak ROE 23/2074, waarin door de rechter op 18 december 2023 uitspraak is gedaan (ECLI:NL:RBLIM:2023:7399), betreft een (toegewezen) verzoek om een voorlopige voorziening; tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
In de ROE 23/2485, ROE 23/2479, ROE 23/3316 en ROE 23/3405) heeft de rechter met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb, derhalve zonder een behandeling ter zitting, uitspraak gedaan. Tegen deze uitspraken heeft verzoeker, zo leidt de wrakingskamer uit het wrakingsverzoek af, verzet aangetekend. Uit artikel 8:55, zesde lid, tweede volzin, van de Awb volgt dat de rechter niet betrokken kan zijn bij de behandeling van het verzet. Ook bij een eventuele gegrondverklaring van het verzet zal de rechter geen verdere bemoeienis met de hiervoor genoemde procedures van verzoeker hebben.
De wrakingskamer ziet tot slot geen aanleiding te twijfelen aan de stelling van de rechter dat de twee zaken waarin nog geen uitspraak is gedaan (ROE 23/2367 en ROE 24/1182) niet door haar (zullen) worden behandeld. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die op het tegendeel wijzen.
Dat betekent dat het verzoek tot wraking van de rechter in alle genoemde zaken voor kennelijk niet ontvankelijk dient te worden gehouden.
De wrakingskamer merkt tot slot op dat het niet aan haar is te bepalen op welke wijze en aan wie de toedeling van zaken plaatsvindt. De wrakingskamer kan en zal hier dan ook geen uitspraken over doen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
verklaart het verzoek niet ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.J. Otto, mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe en
mr. R.M.M. Kleijkers, bijgestaan door de griffier en openbaar gemaakt op 16 april 2024.