Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- het bericht van 27 november 2023 met producties van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 8 december 2023
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een vordering van eiser tot een verklaring voor recht dat hij een recht van overpad (erfdienstbaarheid) heeft verkregen door verjaring ten laste van het perceel van gedaagde. Eiser gebruikte sinds 2001 een pad op het perceel van gedaagde voor toegang en parkeren. Gedaagde had het pad afgesloten met een toegangspoort.
De rechtbank stelt vast dat vestiging van een erfdienstbaarheid door een notariële akte ontbreekt en beoordeelt of verjaring tot een erfdienstbaarheid heeft geleid. Voor verkrijgende verjaring is goede trouw vereist, die ontbreekt omdat geen notariële akte bestaat en de toestemming van de rechtsvoorganger van gedaagde een persoonlijk recht betrof. Voor bevrijdende verjaring is een termijn van 20 jaar onafgebroken bezit vereist, maar deze termijn is gestuit door een aanmaning en kortgedingprocedure in 2018.
De rechtbank concludeert dat geen recht van overpad is ontstaan door verjaring, wijst de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. A.M. Koster-van der Linden en op 17 januari 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af omdat geen recht van overpad is ontstaan door verjaring wegens ontbreken van goede trouw en stuiting van de verjaringstermijn.